Test
Download document

OOSTERHUIS, Huub


Een mens te zijn op aarde

Een mens te zijn op aarde
is eens voorgoed geboren zijn
is levenslang geboortepijn.
een mens te zijn op aarde
is leven van de wind.

De bomen hebben wortels
de bomen mogen stevig staan
maar mensen moeten verder gaan.
de bomen hebben wortels
maar mensen gaan voorbij.

De vossen hebben holen
de mensen weten heg noch steg
zijn altijd naar hun huis op weg.
de vossen hebben holen -
maar wie is onze weg?

De mensen hebben zorgen,
het brood is duur, het lichaam zwaar,
en wij verslijten aan elkaar.
wie kent de dag van morgen?
De dood komt lang verwacht.

Een mens te zijn op aarde
is pijnlijk begenadigd zijn
en zoeken, nooit verzadigd zijn,
is rusten in de aarde
als alles is volbracht.


Veel te laat heb ik jou liefgekregen


Veel te laat heb ik jou liefgekregen

schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw

veel te laat heb ik jou liefgekregen.


Binnen in mij was je, ik was buiten

en ik zocht jou als een ziende blinde

buiten mij, en uitgestort als water

liep ik van jou weg en liep verloren

tussen zoveel schoonheid die niet jij was.


Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,

door mijn doofheid ben jij heengebroken.

Oogverblindend ben jij opgedaagd

om mijn blindheid op de vlucht te jagen.

Geuren deed jij en ik haalde adem,

nog snak ik naar adem en naar jou.


Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik,

honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte,

heb jij doen ontbranden. En nu brand ik

lichterlaaie naar jou toe, om vrede.


Bomen schreeuwen niet

Bomen schreeuwen niet, takken niet, grond niet;

zee, vogel, huilt niet; de wind niet, de stad niet.

Geen kreet komt uit de mond van muren

rondom, van de ster, de lachende noodklok.

Enkel in mensen zijn monden gesneden,

harten gedompeld, opdat hij kan huilen,

slaan met lippen zwart van ontzetting -

man, vrouw, koppen: bonk tegen de muur,

tegen de moord, de nacht, de verchroomde

machinerie van de goddelijke oorlog;

tegen de code van de terreur,

alles wat klein is verkwanselend.

Nu, daar, dan elders, altijd hier,

weent om haar zonen de moeder,

weent de gerechte om zijn broeders,

omdat zij niet meer zijn.

Huilt als een bron, een vulkaan in mensen

de mens om de mens, en schaamt zich

dat niet dit uur wij levend of dood

worden veranderd in vrede.


Hier ben ik

Wat ik gewild heb

wat ik gedaan heb

wat mij gedaan werd

wat ik misdaan heb

Wat ongezegd bleef

wat onverzoend bleef

wat niet gekend werd

wat ongebruikt bleef

Al het beschamende

neem het van mij

en dat ik dit was

en geen ander-

Dit overschot van

stof van de aarde

dit was mijn liefde

Hier ben ik.


Kom in mij

Kom in mij, win, ontwapen mij.

Zie mij, doe mij aan.

Weersta mij, wacht mij, delf in mij.

Ontdooi mijn naam,

ontraadsel mijn bestaan.

Kom in mij, maak geluid in mij,

dood is diep in mij,

versteend mijn stem - ontsta in mij,

doe pijn, doorgloei mij,

leef mij, licht in mij.

Kom uit mij, scheur mij, kind van mij,

mens in mij ontwaak.

Ontvang mij, overschaduw mij.

En ga met mij

waar niemand met mij gaat.


De steppe zal bloeien

De steppe zal bloeien.

De steppe zal lachen en juichen.

De rotsen die staan

vanaf de dagen der schepping,

staan vol water, maar dicht,

de rotsen gaan open.

Het water zal stromen,

het water zal tintelen, stralen,

dorstigen komen en drinken,

de steppe zal drinken.

De steppe zal bloeien.

De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.

Zij keren met blinkende schoven.

Die gingen in rouw

tot aan de einde der aarde,

één voor één, en voorgoed,

die keren in stoeten.

Als beken vol water,

als beken vol toesnellend water,

schietend omlaag van de bergen,

met lachen en juichen.

Die zaaiden in tranen,

die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.

De dode zal horen: nu leven.

Ten einde gegaan

en onder stenen bedolven:

dode, dode, sta op,

het licht van de morgen.

Een hand zal ons wenken,

een stem zal ons roepen: Ik open

hemel en aarde en afgrond

en wij zullen horen

en wij zullen opstaan

en lachen en juichen en leven.