Test
Download document

WINKLER PRINS, Jacob



Uit mistig grijze morgenstrepen


Uit mistig grijze morgenstrepen,

Een onbewogen meer gelijk,

Verschijnen vormeloze repen: –

‘t Zijn bomen op een hoge dijk.


Nu ‘t lichter wordt zie ik iets blinken

Als sikkels, opgaande uit de mist

En klokjes hoor ik droomrig klinken; –

De herder met zijn koeien is ‘t.


En meer en meer komt ‘t groen der weiden

Te voorschijn uit de morgendamp;

‘t Zijn bloemen, die mijn oog verblijden,

Geel als een stralend helle lamp.


Reeds flonk’ren hoog de popeltoppen

En lager ‘t groen der beukenheg;

De dauwdrop vonkt aan windeknoppen

De morgenwind waait nevels weg.


Gezegend, licht uit nacht gestegen,

Zo vriendlijk lacht uw oog mij aan; –

Ik sta op ‘t kruispunt van veel wegen –

O, zeg mij welke kant te gaan!