Download document

VAN WYK LOUW




Gesprek van die dooie siele

“Kan jy my woorde, liefste, hoor,

of iets die blanke stilte stoor

waardeur ons siele eensaam gaan,

veryl soos wolkies voor die maan –.

kan jy, kan jy my woorde hoor?”

“Weet ek dat dit jou woorde is,

en nie die bitter heugenis.

wat uit my eie hart nog spreek;.

weet ek dat wat die vlak hier breek,

die rimpeling van jou woorde is?”

“Uit hierdie diepste eenzaamheid

verlang ek nog na sekerheid,

dat al sou liefde nie verwaai

soos stoffies wat die winde saai

uit in die sterre-eensaamheid.”

“Hier in een ongebroke glans

is my eenselwigheid verskans,

en alle bron van fluistering

wel uit die diepste en laaste kring

van eie waterheldere glans.”

“O wink deur heurdie droefenis

waarin my siel verwilder is,

oor alle afgrond wat ons skei,

’n teken dat daar iets nog bly

tot smettelose gedachtenis.”

“Tot alle eindes uitgestraal,

waar vreemde laaste sterre dwaal,

is elk in God so uitgestort

dat hier geen smart tot teken word

waar elke deur alle dinge straal.”

“Ek sal die vlammegrens oorskry

wat my nou van jou wese skei,

deur alle duister sal ek tas

tot ek jou bloedwarm voel en vas

en indrink soos ’n drank in my.”

“’n Vreemde vlam van woorde klim,

’n verre bewing, bo die kim

van hierdie blanke stil bestaan,

waar ek my grote Godsweg gaan

verlore tussen lug en kim.”


Gesprek van de dode zielen

“Kan jij mijn woorden, liefste, horen,

kan iets de blanke stilte storen

waarin onze zielen eenzaam gaan,

verijld als wolkjes voor de maan -,

kan jij, kan jij mijn woorden horen?”

“Weet ik het of ’t jouw woord wel is,

en niet de bittere heugenis

die uit mijn eigen hart nog spreekt;

weet ik het of wat ‘t vlak hier breekt,

de rimpeling van je woorden is?”

“Uit deze diepste eenzaamheid

verlang ik nog naar zekerheid,

dat al zou liefde niet verwaaien

als korrels die de winden zaaien

in de sterren-eenzaamheid.”


“Hier in een ongebroken glans

is mijn eenzelvigheid verschanst,

en elke bron van fluistering

welt uit de diepste en laatste kring

van eigen waterheldere glans.”

“O wenk door deze droefenis

waarin mijn ziel verwilderd is,

over elke afgrond die ons scheidt,

geef teken dat daar iets nog blijft

tot smetteloze gedachtenis.”

“Tot alle einden zullen we uitstralen,

waar vreemde laatste sterren dwalen,

is elk in God zo uitgestort

dat hier geen smart tot teken wordt

waar iedereen door elk ding zal stralen.”

“Ik die de vlammengrens overschrijd

die me nu van je wezen scheidt,

ik om door alle duister op de tast

tot ik je bloedwarm voel en vast

en indrink als een drank in mij.”

“Een vreemde vlam van woorden klimt,

een verre beving, boven de kim

van dit blank stil bestaan,

waar ‘k mijn grote Godsweg zal gaan

verloren tussen lucht en kim.”

(Vertaling: Z. DE MEESTER)





Seemeeu


Lewe

en sterwe

is swewe

en swerwe

tussen blydskap se wolke

en see van die smart;

iets van die vuurvlieg,

iets van die ster,

en stilte en dood lê weerskant

soos die horison daar ver.


Zeemeeuw

Leven

en sterven

is zweven

en zwerven

tussen wolken van blijdschap

en zeeën van smart;

iets van de vuurvlieg,

iets van de ster,

en stilte en dood aan weerskanten

zoals de horizon ginds ver.

(Vertaling: Z. DE MEESTER)