SCHULTE NORDHOLT, J.W.


Als ik dood ben


Als ik dood ben, om je een voorbeeld te geven,

loop ik hier niet meer door de gang

zoals ik gedaan heb in mijn leven,

lachen en praten en luid gezang,

staan blijven om naar de platen te kijken

dat schip en dat huis en de stad Maasricht,

de kinderen over de haren strijken,

mompelen aan een nieuw gedicht.


Als ik dood ben, om maar eens iets te noemen,

zie je me niet meer staan voor het raam

tussen de verwilderde bloemen

met mijn eigen bloed en mijn eigen naam,

met mijn eigen mond om mee te praten,

om je te kussen op de mond,

alles moeten wij achterlaten

als wij vertrekken onder de grond.

Wou je dan eeuwig blijven leven?

zei je net als die generaal

toen zijn mannen zich over wilden geven,

doodgaan moet je nu toch eenmaal.

Ik weet het niet of ik hier wou blijven

maar ik wou weten wat leven is.

Dat is met geen pen, met geen pen te beschrijven,

maar het tekent zich af in de duisternis.


In Memoriam Patris

…..
Misschien dat ik hem nog om raad kan vragen.

Hij is toch meer in mij dan ik wel wist.

Hij kan mij niet meer op de schouders dragen,

maar soms komt hij mij tegen in de mist

en wandelt hij nog in mijn zomerdagen.

…..


Psalm 137 vers 1

(Samen met Jan WIT)

Aan Babels stromen zaten wij gevangen.

Daar weenden wij van weemoed en verlangen.

Hoe trok ons hart naar huis, wij treurden om

Jeruzalem, des Heren heiligdom.

O dagen van weleer, o heil’ge stede,

wie ver van Sion leeft, is zonder vrede.


Winter


Bezielde wereld, waar een onzichtbare

maar zwaar ademende god

door vaart met stormen en regenvlagen

zodat de bomen zich biddende buigen

en de schepen vergaan.


Blinkende wereld, hij is er aanwezig

in de gele glans van de sneeuwwolken, in

het schitterende geritsel van de hagel,

deze god in het duister dat licht wordt,

het doodshemd van sneeuw.


Vrede blijft over in de avond,

vrede blijft over zoals een hand

ligt op het witte tafelkleed,

zoals een schip in een haven vaart,

zoals een man in de duisternis

ligt in de armen van een vrouw.



Polderland


De verten komen eindeloos mij tegen,

gaan door mij heen en achter mij teloor.

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,


met zoveel wolken en met zoveel dromen,

met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

dit is het landschap voor zijn paradijs.


Ach, d’avond valt. – Rijd ik het donker door,

dan is het groot geluid van wind en regen

het enig landschap in mijn diepe oor.


Vertalen


Vertalen is verraden, zeggen wij.

Waarom, waarom, wordt licht tot duisternis,

wordt God in onze maatschappij

overgeleverd tot geschiedenis?


Wordt dag vertaald in nacht en zon in maan,

zien wij slechts schaduwen tegen de wand,

verwaait wat in de stilte is ontstaan

tot stameltaal, schuimvlokken op het strand?


Het is net andersom, bij ons begint

de zaligheid van zien, het stil geheim

van glans en klank, de heerlijkheid van horen.

Wij worden woord, de Geest waait als de wind

waarheen hij wil, totdat wij in het rijm

van mensentaal vertaald zijn en herboren.


Totdat Hij komt


Totdat Hij komt zal het hier zo gebeuren:

's morgens de melkboer tweemaal bellen,

dan gordijnen open en met grauwe kleuren

breekt 't eerste licht de nachtelijke ban.


Het heldere ontbijt iedere morgen,

dan naar de stad, de tram zingt langs de rand

heen van je dromen en je kleine zorgen,

en 's avonds staan de grote in de krant.


Zo zal het eindeloos zich herhalen,

liefelijkheid der huiselijke haard,

kinderen zorgen en de angst rondom.


En eind'lijk met het vege lijf betalen

de koorts des levens en diep in de aard

wachten en luisteren, totdat Hij komt.


Karin is dood


Het wordt routine. Er gaat bij mijn post

geen week zonder een grijsomrande brief voorbij.

Er zullen, staat er, aan uw rechterzij

duizenden vallen*. Paradise lost.


Maar tot u, zegt de kalme psalmist,

zal het niet genaken. En zo leven wij ook,

als waren wij veilig onder de rook

van geruststellende woorden. Het is


onmogelijk om ooit de werkelijkheid

echt onder ogen te zien. Maar vandaag

toen jouw rouwkaart kwam, was er bij mij geen vraag

naar het mysterie van dood en tijd,


enkel verbijsterde woede. We gaan,

riep ik wanhopig en theatraal,

er allemaal aan. Zie je wel. Het verhaal

wordt eentonig. Dodelijk is het bestaan.


Karin is dood, de kleine grijze dame die

ooit in een onvergankelijke staat

als rosevingerige dageraad

optrad in mijn timide eerste poëzie,

* verwijzing naar Psalm 91



Hoe helder staat de morgenster, 1e strofe

naar Philipp NICOLAY

Hoe helder staat de morgenster,

en straalt mij tegen van zo ver,

de luister van mijn leven.

Komt tot mij, zoon van David, kom,

mijn Koning en mijn Bruidegom,

mijn hart wil ik U geven.

Lieflijk,

vriendlijk,

schoon en heerlijk,

zo begeerlijk,

mild in 't geven,

stralend, vorstelijk verheven.



Thuiskomen

Het venster vangt het avondlicht,
de deur gaat open voor mijn stap,
het landschap achter mij valt dicht,
ik loop in ‘t donker op de trap.
Het huis van onze liefde is
een hemel in de duisternis.

Wat jij dan bent en ik dan ben
dat is als water in het land,
zo liggen onze lichamen
dan open in elkanders hand,
en onze zielen dicht ineen,
als ringen om elkander heen.


Existentie

Hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden,

het ziet verbaasd de regen en het gras.

Het denkt: wat loop ik hier zo in den blinde,

wie laat dit hart slaan, wie bepaalt de pas?

Het luistert naar de stromen van de winden.

Hier loopt het ik, het treft zich aan in straten

die het slechts na lang aarzelen herkent.

Het ziet de huizen, lange, donkre raten

tegen het harde blauwe firmament.

Wat gaat het hier zo eenzaam en verlaten.

Hier loopt het ik, vanwaar is het gekomen

tot dit moment als tot een open plek,

waar het, tussen het zwart geheim der bomen,

zich in een maanblank watervlak ontdekt

en wakker wordt en toch volloopt met dromen.

Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten

naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.

Alleen: het is! Het wil de aarde groeten

met een herkennend nieuw en oeroud lied.

Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten.

Voor Evert Smelik


Adieu

In de kamer zit ik aan de tafel,

luister naar het suizen in mijn oren.

Vogels houden eindelijk hun snavel,

het wordt stil, ik kan de sterren horen,

en wat in de aarde wordt geboren.

Nu vannacht, het hele huis ligt open,

ik zit in de blote eeuwigheid,

en ik laat mij door de regen dopen

voor een zachte dood, ik ben bereid.

Regen regent en de bomen lopen

bij mij binnen, op mijn hand die schrijft

groeit het gras. Adieu. Mijn hart verstijft.


Middeleeuws schilderij

De heiligen lopen op vogelvoeten,

zo kuis en zo voorzichtig, door het woud.

Zij willen met een louter leven boeten

dat deze wereld donker is en koud.

En in het hoge takkennet begint

een heel ijl voorjaar aan het heilig leven.

Iedere heilige wordt weer een kind

dat groeit naar God, spichtig, en onbedreven

in nog iets anders dan de ogen heffen,

de vingers vlechten in een bidgebaar,

liever verdwalend in het stamgewemel

dan ergens medemensen aan te treffen.

Zij krijgen langzaam bloemen in het haar

en worden zo een voorjaar van de hemel.