Test
Download document

DEN BESTEN, Ad



Ik word weer mens


Hier loopt mijn lichaam zich te vergewissen
van de geluiden en het licht der stad,
van geuren waar 't zich niet in kan vergissen,
van aanrakingen die het lang moest missen
en van zichzelf, dat het in 't aanzijn trad.

Ik ben maar ademen, ik ben maar leven,
een wezen trillend van genot, een dier;
aan prikkelingen is het prijsgegeven,
het wordt gestreeld en het herkent zich even:
een lichaam dat mij viert en dat ik vier.

Ik word weer mens, ik voel mijn ziel ontvonken
aan deze vuurslag: zin en tegen-zin.
En ik loop, in mijn lichaam diep verzonken,
volkomen helder en volkomen dronken,
verrukt het lichaam van de liefste in.



Tegen mijn verlies


De sterren staan hoger dan ik

in het heelal genoteerd.

O goden afgekeerd,

gij vindt in uw ogen van blik


geen spoor van mij, geen spoor

meer van mijn verschoten ster:

ik ben al sinds eeuwen her

alleen een vloek in uw oor.


Wat zou ik, o blind bestier,

klein onder uw sterren, klein?

- Ik kan niet tegen mijn

verlies, ik vloek en ik tier.


Maar dat is genoeg om te zijn.