VAN RUYSBEEK, Erik


De pelgrim 1


Als alles is gezegd wat zegbaar is

gedaan wat doenbaar

vestigt zich in ons

de stilte en de roerloosheid

de eenvoud en de diepte.

Het woud ligt achter ons,

de boog van de woetijn gaat op,

de zon verschroeit ons vuur,

de blik keert zich naar binnen

en in ons weet het weten:

verbrand zijn alle schepen

de ware tocht begonnen.


O vreemd ervaren

de wereld viel ons af

in ons is nu de wereld

die leegte is

en wij zijn nergens meer en overal

een louter weten van het weten

en puur bewustzijn

zonder ding en zonder grens.


Zo werden pelgrims wij

van innerlijke kim tot innerlijke kim

van spiegelbeeld tot spiegelbeeld

langs steeds verengende spiralen

naar dat ultieme punt dat eeuwig wijkt.


Hier stolt de taal.

alleen de pelgrim

kan de weg ervaren.



Raaklijnen van het licht


…..

Ik ben de boom

ik ben het bos

Ik ben het takgekraak

het bladgeritsel

de geur van honderd kruiden

kleur voor duizend ogen

…..


Denkend aan de dood


…..

Rusten ga ik weldra

in mijn eigen verruimde schoot

eindelijk rusten ga ik

in mijn velden zonder oorsprong.


Ontvang mij dan

groot lichaam zonder grenzen

ontvang mij

groot onuitblusbaar vuur.



Overgang


Leven is geen begin

en evenmin

is dood een einde:

slechts vormen van verandering in

het zijnde

…..


Eens

Eens wil ik rusten in een vredig graf

als ik de wereld ben geworden

als ik de herfsten ben geworden

boven de bossen en de bergen

die eens mijn vlees geweest zijn

en mijn geest.


Eens wil ik rusten in een vredig graf

als ik de winden ben geworden

de zomers en de zonnen

waar ik verzoend in opging

en zoende met de lippen

van de geest.


Eens wil ik rusten in een vredig graf

als ik de vrede ben geworden

als ik het geuren ben geworden

het stille bloeien in het jonge gras

en 't eeuwig kiemen



Stervende Socrates


Vrienden, laat mij gaan,

de eeuwigheid roept en wil mijn tijd ontbinden

en heffen mij in een volmaakte nacht

de grenzen van de wereld werpend

in de vergetelheid van 't al.


Wat is de wereld dan een mist door duizend sluiers!

Sluit de ogen slechts: de sluiers schuiven weg

en een volstrekte wereld gaat in het donker open

waaruit ik kom en die ik wedervind.

Weest niet verwonderd in mijn laatste lust:

voorgoed ze sluiten op die vreemde dageraad

waarin beperking zinkt in diepe slaap

die zonder droom is en volmaakt.


Mijn oorsprong roept mijn einde,

mijn Zelf roept mij tot zich.

Laat mij dus gaan. Reeds woont in mij de vrede

der volheid die zal zijn. Reeds ben ik tijdloos

en volstrekt. Laat het mij zijn.



Lao-Tze


“Wat men bekijkt maar wat men niet zien kan

heet het onzichtbare.

Wat men beluistert maar niet horen kan

heet het onhoorbare.

Wat men raakt maar niet vatten kan

heet het onberoerbare.


Het is de vorm van het vormeloze

het beeld van het beeldloze

daarom heet het het onvatbare.

Men ontmoet het, maar zonder zijn gelaat te zien.

Men volgt het, maar zonder zijn rug te zien.”


Dit las ik en wist:

Alles is gezegd,

laten we de boeken sluiten

zo zal het Boek voor altijd

open zijn.