Download document

VAN AKEN, Hein



Roman van Heinric en Margriete van Limborch

…..
De maagd zei: ‘Ik heet Magriet.’

‘Juffrouw’, zei de jonkheer toen,

‘Ik wou dat u stond in ‘t hart alzo,

Dat u mij begeerde als man,

De blijdste zou ik wezen dan.

Die man zag op hartelijk

Ik ben machtig en rijk

Aan zilver, aan goud en aan schatten,

Aan duur gesteente, en bovendien

Heb ik veel land en veel borgen.

Waaraan ‘k denken moet en voor zorgen,

Om hoe gekregen een maagd,

Die mij al zowel als u behaagt.

Zo ware ik al mijn leven blijde.’

De maagd antwoordde nu kortaf:

‘Jonkheer, zwijgen wij, we worden moe!

U bent schoon, edel en rijk

En zult wel hebben uw gelijk.

Mijnen vader verzoekt U

te zien, jonkheer. Wanneer

zullen wij ter zale zijn?’

De jonkheer zei: ‘Lief meisje,

Wij zullen weldra daar wezen.’

Toen zagen zij binnenkomen deze

Vier schone knapen met toortijzen,

Met schone klederen en met fetijzen,

En hoorden veel vrouwenstemmen.

…..

Bewerking: Z. DE MEESTER