DE KEYSER, Edward
De vriezeman
Vriezeman heeft op straat gezeten,
Heeft in mijn neus gebeten
En mijn neus is rood, rood, rood.
‘k Wenste de vriezeman dood, dood, dood.
Vriezeman heeft op straat gezeten,
Al de graantjes opgegeten;
’t muske is in nood, nood, nood.
‘k Wenste de vriezeman dood, dood, dood.
Vriezeman heeft op straat gezeten,
giert en blaast door alle spleten.
D’arme heeft geen brood, brood, brood.
‘k Wenste de vriezeman dood, dood, dood.
De Karekiet
In de schone lentedagen, bij de oever van de vliet,
hoort men vaak een vogel zingen, lustig zingen in het riet.
En als gij zijn naam wilt weten, o, geloof me, vraag hem niet.
Want hij zegt hem hele dagen in zijn lustig klepperslied!
Karekiet, kiet, kiet, ‘k woon in ‘t riet, riet, riet,
Karekiet in het riet, maar ge vindt me toch niet!
Karekiet, kiet, kiet, ah, ge vindt me niet, om de duvel niet!
Jantje Koek eet gaarne eiers, vogeleiers vindt hij goed,
en zo komt het dat hij heden in het bos zijn ronde doet.
Ei, wat hoort hij daar aan ‘t water? Wacht maar, kleine deugeniet,
ha, ge durft mij komen plagen met uw aardig klepperslied!
Jantje Koek kan ‘t niet meer horen, woedend loopt hij van de dijk.
Maar in plaats van ‘t nest te vinden schiet hij netjes in het slijk.
En als Jan er nog niet uit is, ja, dan steekt hij er nog in.
Maar nog zingt ons karrekietje ‘t lustig liedje blij van zin!