WESTERVAARDER, Ab
De minutenwals
Hebt u een minuutje, een heel klein minuutje
Red ik het in een minuutje, een minuutje
Blijft u nou nog een minuutje
Dan zing ik een versie een nieuwe versie
Van Chopin's minutenwals
Ze zeiden: meid dat haal je niet maar
Dan kennen ze me niet
Geef me dus een minuutje van uw kostelijke tijd
Dan is het een feit
Dan zing ik even de minutenwals
En naar ik hoop gaat het niet al te vals
Het kost me enkele jaren van mijn leven
En veel slapeloos doorraakte nachten
Schoonheidsprijzen mag ik dan ook niet verwachten
U weet wel ik zing desnoods de voering uit mijn keel en longen
Uit de naad gescheurd
Dan heb ik toch mijn zin ja
En mijn weddenschap gewonnen
Die ik sloot, het gaat niet om de centen
Maar het zou zo'n dokter* kunnen zeggen
Het is me nou dus lekker toch gelukt, puh
Wie is nou zo gek het in zijn kop te halen
Zeker niet Chopin die heeft nu al de balen
Die ligt zonder dollen in zijn graf te tollen
Dat ik hem te kort doe, help ik word moe
Als u mij hoort zingen na veel oefeningen
Kunt u niet beweren dat ik naar die dingen
Maar wat met mijn pet gooi en een beetje rotzooi
Met Chopin's minutenwals
Even rust, mijn arme hals
Want ik ben al bijna platgewalst
Hoe zou 't nu de tijd vergaan
Nog niet halverwege
En al ver achteraan
Nog een handje vol seconden heb ik uitgevonden
Ik hoef amper nog een half minuutje
Nog een handje vol seconden, amper nog een half minuutje
Klaar is dan Chopin's minutenwals
En nu geen nootje meer gemist want
Ik laat me toch beslist niet kisten
Mijn weddenschap gewonnen, het gaat wel niet om tonnen
Maar ik hoor al de verliezer tanden knarzen
Maar een volgende keer wed ik op Willy Schotenmeyer's Koning Voetbal-mars
Oh de eindsprint is nu echt begonnen
Graag zou ik dit lied besluiten stralend als twee zonnen
Hou dan die secondewijzer tegen
Ik barst uit in snikken in de laatste ogenblikken
Nog een maat of zeven, nu nog even alles geven
Wat zal het rustig straks toch heerlijk zijn ja
Het is echt waar, ik ben nu klaar met de minutenwals
Van Frederick Chopin
Ab WESTERVAARDER & René KURPERSHOEK
De krakelwok
't Was bradig en de slijp'le torfs
Driltolden op de wijde weep:
Misbrozig stonden borogorfs,
't Verdoolde grasvark schreep.
'Mijn zoon, vrees de Krakelwok!
Zijn kakement, zijn grepe klauw!
Vrees ook de Jubjub-vlerkenbrok,
De gritse Bandjegauw!'
Hij nam 't vorpalen zwaard ter hand:
Lang zocht hij naar het manxaam vod--
Toen, rustend bij de Ploemploemplant,
Bepeinsde hij zijn lot.
o, nijvig peinzend, stond hij daar,
Toen Krakelwok, zijn oog vol vlam,
Door het rapuinhout blaaide, zwaar
Burbelend waar hij kwam!
Hup één! Hup twee! Het scherp vorpaal
Hieuw kriskras en met luid gedruis!
Het beest lag dood; hij, galomfaal,
Reed met de kop naar huis.
'Hebt gij de Krakelwok geveld?
O heugle dag! Hoezee! Hoezot!
Omhels mij, zoonlief, brale held!'
Hij gnorde van genot.
't Was bradig en de slijp'le torfs
Driltolden op de wijde weep:
Misbrozig stonden borogorfs,
't Verdoolde grasvark schreep.