DODD, Geeraard Jan
Zang XXVII
Ik heb haar naar de boot geleid;
Zij moest naar vreemde streken;
Zij heeft mij koeltjes vaarwel gezeid:
Mijn harte wilde breken.
Zij vroeg mij of haar rokje wel hing,
Of er in haar doekje geen plooi was;
Of dat haar hoedje en kantje wel ging
En of ze zo goed van tooi was.
Zij scheen over haar toilet voldaan,
Haar linnen was wel gestreken;
Ik bleef verplet aan t'oever staan
En kon geen woord meer spreken.