DE WITTE, Dirk



Een blinde kat

…..
Maar dan ziet hij haar gezicht en hij weet dat de vrouw nooit meer wakker zal worden. Het is alsof de slaapkamer uitgedeind is, alsof ze een andere ruimtelijkheid heeft gekregen, met een dimensie van leegte en afwezigheid.

Van buiten valt de dag als een mes tussen de bijna toegeschoven overgordijnen.

‘Célia,’ zegt hij. ‘Célia. Wat is er? Voel je je niet goed?’

Hij heeft altijd geweten dat ze zou heengaan als hij er toevallig even niet was. Hij gaat naar de vrouw toe, opent met de duim een van de gesloten oogleden. Het blijft loom openstaan en ontbloot een levenloze, glazige knikker. Over haar gezicht valt nu duidelijk de schaduw vén de dood,, die al weken lang over haar hing. Soeki geeft hem kopjes tegen de arm, miauwt klaaglijk. Hij drukt voorzichtig het ooglid weer omlaag, brengt haar handen samen, plooit onhandig de vingers in elkaar omdat hij zich een dode niet anders kan voorstellen. Hij haalt de zakdoek tevoorschijn en veegt het zweet van zijn voorhoofd, veegt zijn glimmende schedel droog.

…..


Ernie Wever

…..
Hij begon te voelen, te ondervinden, te beleven, dat hij alleen was. Hij stond niet meer zo vaak tegen de boom, begon met de anderen mee te spelen – dit gebeurde slechts na de winter – en werd zonder meer door hen aanvaard, al volgde hij niet de normen waaraan zij zich onderworpen voelden maar hij legde hen direct zijn aanwezigheid op – zijn kracht en zijn uithoudingsvermogen en zijn durf die hij in een lange eenzaamheid als een kostbaar bezit had kunnen ontwikkelen.

Toen de superieuren – de surveillant, de prefect, de rector, de leraren, – zijn aanwezigheid als een bedreiging begonnen te voelen was het te laat. Innerlijk had hij zich reeds boven hen geplaatst en er was niets dat hem in zijn groot geloof aan zichzelf kon treffen. Wanneer hij straf kreeg maakte hij ze, niet omdat hij bang was, maar om te tonen dat hij erboven stond, en hij besteedde altijd uiterste zorg aan zijn strafwerk, ervoor zorgend steeds een of meer bladzijden meer te schrijven dan hij als straf had opgekregen. Toen men vaststelde dat hij het met een hardnekkige systematiek deed, maakte het zijn surveillanten ongerust. Als hij zijn straf inleverde bekeek hij hen met zijn koude grijze ogen, niet brutaal, niet uitdagend of laatdunkend, maar zo dat zijn surveillant tegen de muur van zijn superioriteit opbotste zonder dat hij verweer had.

Eens werd hij bij de rector geroepen nadat hij, zonder toestemming te vragen, een bal van het dak had gehaald en daarvoor over een tympanon had moeten klauteren, boven het drie verdiepingen hoge gebouw. Hij had het gedaan zonder er bij na te denken, zonder andere bedoeling dan de bal er af te halen, zonder te willen uitdagen. De surveillant stond beneden naar hem te kijken en zweette water en bloed, durfde niet te roepen. Achter het raam van de hoekkamer stond de rector met een bleek glimlachje op het vensterkozijn te trommelen.

…..