NOORDSTAR, J.C.
Mijn zoon
…..
Geen schip kwam daar voorbij, geen boer op een fiets,
geen kalf dat blatend loeide omdat het iets
niet in orde speurde, grazend langs de waterkant,
noch enig melker komend met zijn emmers van het land …
Geen einde is er aan dit droevig lied,
altijd zal het gapen blijven, gelijk hij lag in het riet,
en geen mens vervult deze leemte; als enig lot
blijven wij aan het malen van wind en water en zijn treurig lot.