WALSCHAP, Alfons



Laatste gedicht


Wat ik te zeggen begeer

versterft op mijn lippen,

wat ik te schrijven bedoel

ontsnapt aan mijn pen.


Zo wil mij van langsom meer

in leegte ontglippen,

met wat ik gevoel,

ook wat ik ben.


Wat uit mijzelve treedt,

wat in mijn stem verluidt,

wat mijn gedachten kleedt,

het breekt mij niet dan lastig uit.


Het is bevreemdend ontdaan

van inhoud die kracht geeft

door zijn reden van ontstaan

die nog achteraf macht heeft.


Ik voel de oude lust niet meer,

die was wel dwaas maar zoet,

te zingen van onrustig bloed

en wat dies meer,


het oud genot, het oude zeer,

al even hoe ik ’t noem,

is het geluk, of is het doem,

of is het meer?


Het is een onontkoomb’re dwang

van in muziek gevangen slang,

twee ogen van een dier in ’t woud,

gevangen in een licht in ’t hout.


Het dier wordt stijf en stil.

Zaak is niet of het anders wil,

het is zo dat ’t niet anders kan,

het is een ban, het is een ban.


Men zegt, het woord is in ’t begin.

’t Begin is wat verrukte of pijnde,

wat ik verafschuw of bemin.

Het woord komt pas aan ’t einde.


Begin is ’t beeld begrepen of gezien,

dat uit de diepten opgedoken,

zich met mijzelf verenigt en nadien

in ’t woord gebaard wordt uitgesproken,


Ik kan mij niet meer goed

in woorden dwingen:

zij zijn te licht,

te ijdel en te dwaas,


ik hoor te diep in mij,

maar zonder woorden zingen,

ik voel uit diepten mij,

maar door een scheem'rend waas


van tranen en van bloed

twee trage ogen dwingen

te staren in een aangezicht

dat mij wel huiv'ren doet.


Het beeld van mijn vermoeden,

het doelwit van mijn wens,

het oerbeeld van de goede

en deernisvolle mens.


Ik kan wat ons nog scheidt

niet lachend overwinnen,

ik ben nog niet bereid,

ik moet mij nog bezinnen.


In traagheid van beleid,

opstand van mijn zinnen

tegen de schone strijd

met mijzelf te beginnen.


Ik ben niet wat ik lijk,

niet wat ik belijd,

niet wat ik wil,

ik vorder en wijk,

word luid en stil,

niets en wijd.


Ik weet niet wat des levens spel

anderen biedt,

ik ben de oorzaak wel

van eigen verdriet.