ROSS, Leo



Kleine ballade


Ik liep met de zon als een vurige kool

op m’n hoofd, de terrassen overhoophalend

maar ik kon je niet vinden


het regende van ’s ochtends tot ’s avonds

ik scheurde alle gordijnen van de regen

maar ik kon je niet vinden


in de nacht, donkerder dan een zonnebril

keerde ik kroegen om als een broekzak

maar ik kon je niet vinden


ik zette mij op het grasveld van mijn ziel

onder de treurwilgen van mijn hart

maar ik kon je niet vinden.


Enfant de Bohème


Ik had juist vriendschap gesloten

met de wolken, broederschap met de regen

gedronken en me verzoend

met een leven van herfstige kleur


toen als een allang niet meer verwachte gast

stralend en majesteitelijk, sierlijk

als een oosterse danser, de zon

lachend in het strijdperk trad


sindsdien beijver ik mij onophoudelijk

bossen rozen te kopen en te kussen

en langzaam rood wordend

de zon het hof te maken


en als de wind de komende herfst

mij aanklaagt en de regen mij huilerig

van ontrouw beticht, dan pak ik mijn koffer

en vertrek met de noorderzon.


Juni


Ik wil mijn best doen zoals de bloemen

hun best doen, van mijn leven

wil ik iets stijlvols maken, een reuzeneik

voor een kleurige vogel


maar ik lig op een strand in de zon

met een jongen die zachtjes snurkt en

speel met de tijd als met zand, dijken

bouwend en tunnels gravend.