DE CNEUDT, Richard
Aan Vlaanderen
O Vlaandren, Vlaandren, heilig land van mijn gedachten,
land van mijn dromen en mijn liefden en mijn haat,
schoon in de glorie van uw dagen en uw nachten,
droef om uw volk, dat blind zijn slavenwegen gaat, -
o Vlaandren, Vlaandren, land der ongeboren krachten,
waar elke kruin des wouds vol gouden vlammen staat,
maar dichters, arm en naakt, vergeefs een morgen wachten,
en gans een volk verzinkt, en jubelt in zijn smaad; -
o Vlaandren, Vlaandren, waar de vrije wolken zeilen,
zingende torens staan in blijde zonneschijn,
en steden vredig in de droom der eeuwen zijn, -
gelukkig hij, die in uw beemden mag verwijlen,
en, wordt ge groot, met u naar 't rijzend licht mag gaan,
en, zo ge sterven moet, met u mag ondergaan.
Ik ben een dromer
Ik ben een dromer, en mijn hart verstaat
alleen de roes van liefdes overgave.
Wat baten mij, eenzame, huis en have,
waarover zeeg'nend, als een dageraad,
úw blijde lach niet ruisend opengaat?
Wat baat het, zo 'k met drank en spijs mij lave,
als niet úw hart aan míjn dis wordt verzaad?
Wat nood, dat ik in koortsig zoeken drave,
om schrale buit van ijdele aardse macht,
zo niet uw zachte handen mij geleiden,
en, aan het doel, úw liefde mij niet wacht?
Ik ben een dromer, laat mij eenzaam lijden,
en mag mijn droom geen wedermin verbeiden,
laat mij dan, weerloos, zinken in de nacht
De schrebieldenraapsters *
Ik zie ze wroeten, stijf en stram gestopen,
bezijds de spoorbaan op het braakliggend land,
waar 't rottend vuil der grote stad bij hopen
grauwe asse klaart in gouden zonnebrand.
Een omgebogen haakske in de hand,
lijk schuwe dieren hong'rend neergekropen,
wroeten zij koortsig, elk naar zijnen kant,
de bruine zenders 1 en de afval open.
't Zijn haveloze kindren, bleke vrouwen,
schuw bedelvolk met tragisch aangezicht,
de blikken strak naar 't schamel werk gericht,
miserie-volk, scharr'lend in stom mistrouwen
en nijd'ge haat de schrale buit te gaar,
in bonte reken knielend naast elkaar ...
* schrebielden: steenkoolafval
1
zenders: steenkoolbrokken
Langs kille vaart
Langs kille vaart staan slanke populieren,
in rustloos drijven van bewogen luchten.
'k Hoor boven mij zwepende takken zuchten,
winden verwoed door hoge kruinen gieren.
Bruinrode blaren zwaaien neer en zwieren,
stijgen en dalen, drijven even, vluchten
voor winden, die, met wilde stormgeruchten,
in sombre herfst feest van Verwoesting vieren;
dwarrlen om 't hoofd van dichtren, Schoonheid-dromers,
goud-visies wekkend van gestorven zomers,
nà-schreiend luid in forse windentaal;
en gaan, saam met de droeve, grijze regen,
zijn lied van wanhoop snikkend allerwegen, -
als bruine vlindren sterven in 't kanaal.
Weemoed
Een grote weemoed houdt mijn ziel bevangen,
de regen ruist een droeve melodij;
geen droom beroert me, ik koester geen verlangen,
’t is leeg, ’t is leeg, ’t is eindloos leeg in mij.
Mijn ogen worden vochtig, wijl ik tracht
voor wie in onverschilligheid me omringen,
vol huivrend vrezen voor mijns herten klacht,
mijn weemoed tot een blijde lach te dwingen.
Ik hoor mijn woorden kruipen langs de wanden
der kamer, vreemd, en weet niet wat ik zeg,
maar ‘k lijd zo, dat ik mijn gevouwen handen
zacht, op mijn wreed-gepijnigd harte leg …
Gij, die zo kalm van kleine dingen praat,
erbarmen, laat me zitten, laat me zwijgen –
ziet gij de weemoed niet op mijn gelaat,
en al de smarten, die naar mij zich nijgen?
’t is eindloos droef ter kamer en daarbuiten,
en ‘k hoor alleen, in mijn verlatenheid,
het ruisen van de regen op de ruiten,
en, ergens ver, een kindeke dat schreit …