Test
Download document

BIJNS, Anna


(Maria)


Machtige krachtige waarachtige Moedere

Ongebroken zonder kroken geloken poorte

waarde aarde die baarde de behoedere

Goede hoedde die voedde t’onzen confoorte

De Wijgant* triomfant die bant de helse soorte

* Wijgant : strijder


Refrein (O doot, door u memorie)


Heere, alst my al afgaet, wilt my dan bystaen


O doot, door u memorie ic vereyse!

Weer ic voorwaert ga oft achterwaert deyse,

ic en mach niet ontvlien, dit doet my beven.

Ic moet wech, ic en weet waer leyt de reyse,

weer ter hellen oft ten hemelschen paleyse.

Maer tis seker, al dat ontfaen heeft leven,

moet sterven: tvonnis is so ghegeven,

hier tegen en is ook gheen appellatie.

Mijn dagen zijn ghetelt, mijn iaren zijn geschreven,

alle uren werde ick ter doot ghedreven,

ick en weet hoe oft waer, tijt oft spatie.

Mijn sonden sijn vele sonder comparatie,

en svyants tentatie sal my dan bevechten.

Dus mach ic arm sondaer wel roepen om gratie,

want sou my God naer mijn verdiensten rechten,

ic werde ghelevert den helschen knechten.

O bermhertige Jesu, dus roepe ic dy aen:

Heere, als my al afgaet, wilt my dan bystaen!


Als siecte mij quelt, niet om te verstrangen,

als den neuse scherpt en de blosende wangen

veerblecken, de lipkens bestaen te blauwene,

als men roept om biechte, alsment Cruys gaet langen,

als diveersche pijnen mijn lichaem prangen,

en als den pols beghint te flauwene,

als treeusweet hem pijnt door tvel te dauwene,

tvleesch na trotten walghelijc te stinckene,

als de huyt eertachtich begint te grauwene

en therte van uren tot uren begint te nauwene,

alsmen gaet couten van graven, van sinckene,

en mijn vrienden om tgelt bestaen te dinckene,

die meer mijn goet dan mijn leven begheeren,

alsmen Gods lichaem mij brengt met clinckene

en alsmen de leden gaet olien en smeeren,

als mijn maghe gheen spijse en can verteeren,

o Christe Jesu, wilt u ooghen op my slaen!

Heere, als my al afgaet, wilt my dan bystaen!


Als memorie faelgeert, de crachten beswijcken

en der doot voorboden openbaerlijc blijcken,

als mijn magen, die naer mijn goet sullen erven,

mijns niet en achten, maer na plonderen kijcken,

als de dootlijke nopen ter herten waert strijken,

en de leden vaste allenskens sterven,

Als ic allen eertschen troost moet derven

en allene moet comen voor Gods presentie

rekeninghe doen en den kerf afkerven,

wat ic misdaen hebbe, waer en hoe menich werven,

ende als mijn arm beladen conscentie

van cleyne ghebreken maect groote mentie,

die ic ghesont sijnde niet eens en achte,

als ic Gods stranghe rechtveerdige sententie

van uren tot uren ligge en verwachte,

als den dach voorby is en het naect den nachte

en my twijfelt, weer ic sal verdoemt sijn oft vrij gaen,

Heere, als my al afgaet, wilt my dan bystaen!


Als lutter yemant meer met my vermaect is,

deene moede gedient, dander moede gewaect is,

en elc mijnder moeyten begint te verdietene,

als den mont bitter, therte dorstich verspaect is,

als darme siele, die van duechden naect is,

sorcht Gods rechtveerdicheyt te genietene,

als dlichaem van vreesen begint te verschietene

en de tonghe niet meer en can gespreken,

alsmen daer wijwater bestaet te ghietene

en tscheepken hem pijnt na zijn haven te vlietene,

alsmen de ghewijde keerse doet ontsteken,

therte wilt bersten en dooghen breken,

als daer geen hope en is te ghenesene,

en my sullen geheyscht werden jaren en weken

van dat ic begonste eerst yet te wesene,

och, alsmen dendelveers begint te lesene

En de werelt sal seggen van my “tfy!” saen,

Heere, als my al afgaet, wilt my dan bystaen.


Prince


Princelijk Prince, door u liefde heet,

door u minnende herte, dat aent Cruyse spleet,

door u open vijf wonden boeyende root,

staet my by inde ure die ic niet en weet!

Ontfermt mijns dan door u bloedisch sweet,

dwelc ghij storte int hooken uyt vrese der doot!

Als ic ligghe en gape in duyterste noot

en mij niet volghen en sal dan mijn wercken,

sijt dan mijn leytsman, mijn Prince, mijn hoot

jont mij te nuttene dlevende broot

dwelc my in mijn pelgrimagie magh stercken!

Geef mij waarachtig, als kint der kercken,

volcomen biechte, al mijn Sacramenten,

en wilt mij beschermen onder u vlerken,

als mij bevechten de helsche serpenten!

U bitter doot wilt in mijn herte prenten,

mijn sondige besmette siele meucht ghij dwaen!

Heere, als my al afgaet, wilt my dan bystaen.




O dood, hoe bitter is uw gedinken!


O ongenadige dood, bloedgierige beeste,

Gij vernielt al dat leven heeft ontvaan.

Hoe rijk, hoe schone, hoe subtiel van geeste,

Niemand en mag uw schicht ontgaan.

Gelijk ons Ecclesiastes doet verstaan:

De wijzen sterven gelijk de zotten.

't Harte verschrikt, horende Jobs vermaan:

Gelijk vuil etter zal mijn vlees verrotten

In 't graf, als een kleed wordt gegeten van de motten,

Aarde worden, zo als 't is van aarde gemaakt.

Veel brozer dan glas of scherven van potten

Is de mens, die alle uren ter dood genaakt.

Wij gaan alle teniet, Thecuts spraak 't,

Gelijk wateren die in de aarde zinken.

Ik zeg, peinzende, hoe zuur dees noot wordt gekraakt:

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Wat mocht Sardanapalo zijn wellust baten?

Wat helpt ere, rijkdom of hovaardije?

Als de dood komt, moet men 't hier al laten.

Wat hielp Aristoteles zijn filosofije?

Waar is Alexanders macht en heerschappij?

Dien alle de wereld was te klene,

Moest sterven en als een stinkende prije

In een graf van acht voeten rusten allene.

O dood, gij zijt alle mensen gemene,

Een kwaal, waar niemand van geneest,

Want wij zien, hier is er luttel of gene,

Die over honderd jaar hier zijn geweest.

En die hier nu zijn (helaas wat ees 't!)

Zullen ook binnen honderd jaar in d'aarde stinken.

Dus zeg ik nog, zoals men in schriftuur leest:

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Wat baatte Salomon al zijn glorie?

Wat hielpen Mathusalem zijn lange jaren?

Waar is nu Julius Caesars victorie,

Die veel koningen dwong met zijn heerscharen?

Waar zijn de machtige die voor ons waren,

Die op de beesten der aarde reden?

‘t Lichaam dood, de ziele ter helle gevaren,

En anderen zijn opgestaan in haar steden.

Waar is Absalon, de schone? Overleden.

Waar is Samson, Hercules, groot van krachte?

Hun graven worden met voeten getreden,

Zij liggen in d'aarde als d'ongeachte.

Waar is Priamus en zijn edel geslachte,

Wiens glorie men in Troje zag blinken?

Waar is 't Griekse heer dat Troje tenonder brachte?

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Onze dagen vergaan gelijk een rook

En ons leven en is niet dan een wind.

Wij gaan op als een bloem en verdwijnen zo ook,

Wanneer dat de dood komt die 't al verslindt.

Zo gering als ter wereld komt een kind,

Vindt 't hem met Adams misdaad belast,

Sterflijk, want God eiken te sterven verbindt,

Omdat Adam de vrucht heeft aangetast.

De mens komt ter wereld, als een vreemde gast,

Hij begint te sterven, als hij wordt geboren.

Gelijk het web eens wevers, als ‘t lichaam wast

Worden zijn dagen vast afgeschoren.

De hoorn des levens hebben wij verloren,

Diverse gebreken doen ‘t 'lichaam krinken.

Dus moeten wij sterven, ons ouders zijn voren.

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Ons leven is kort, met lijden vervuld.

Door diverse ziekten schiet de dood haar stralen

En sterven is onze natuurlijke schuld,

Die elk met den lijve zal moeten betalen.

De dood zal komen, 't en mag niet falen,

Onzeker, wanneer, hoe of in wat manieren.

Wij lopen ter dood, daaglijks korten onze palen,

Gelijk totter zee lopen alle rivieren.

Het lichaam dat wij nu schoon versieren

En zeer behaaglijk is in 't aanzien,

Dat zal men, bestorven, ter aarde bestieren.

Die 't beminden zullen d’r dan af vliên,

En wat der armer zielen zal geschiên,

Is onzeker; nooit zuurder sop om drinken.

Elk mag wel zeggen, want het blijkt uit dien:

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Geen mens zo ziek, zo arm, zo snode,

Hij en vreest de dood en dat natuurlijk,

Want van beminde dingen scheidt men node.

Ziele en lijf minnen malkander bruurlijk,

En hierom scheiden zij ook zeer zuurlijk.

Want Christus zelf van der dood verveerde,

Zwetende water en bloed uit angst beruurlijk

Van vreze der dood, die hij nochtans begeerde.

Geen kapitein, hoe vroom, zo ras te zweerde,

Peinzende om de dood, hem schroomt ertegen.

Of wij te voet gaan of rijden te peerde,

De dood vervolgt ons op alle wegen.

Zij is onverwinnelijk, victorieus, vol zegen,

Met geender wapenen en mag men ze krinken.

Dit doet mij zeggen naar mijn oud plegen:

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


De dood is de ouderen in de deure

En de jongeren belacht zij over bergen en dal.

Niemand zo jong, zo schone in zijn fleure,

Die weet of hij morgen leven zal.

Wij moeten al vallen der naturen val,

Sneller dan een loper vergaan ons dagen.

Dat wij niet en weten, is 't vreselijkste van al,

In wat manieren ons de dood zal kragen.

Want de dood die leidt ons duizend lagen

Door oude, door ziekte en door accidenten.

d'Een verdrinkt, d'ander valt, de derde wordt verslagen.

d'Een sterft onverzien, d'ander met veel tormenten.

Dus haalt de dood alle jaren haar renten

Van der wereld, niet achtende wiens vreugd mag minken.

Wanneer wij dit in ons herte prenten,

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


Wij weten wel dat wij moeten sterven;

Waaraf zo willen wij ons dan vermeten?

Stank, vuilnis en wormen zullen wij erven,

En de wormen zullen ons vlees opeten.

Al 't gene dat wij hier hebben bezeten

Blijft hier; wij moeten d’r naakt uitscheien

En onze eerste herberg wij niet en weten.

Wij en mogen geen vrienden met ons leien,

Wij moeten ons zelve te reizen bereien,

Wij en mogen geen boden voor ons zenden.

De dood en zal ook niet lange beien;

Gelijk een schim zal ons leven enden.

Wij zijn ter wereld komen met ellenden;

Wij moeten de weg gaan, zo Jobs’ snaren klinken,

Daar wij niet weder de deur mogen wenden.

O dood, hoe bitter is uw gedinken!


(Bewerking Zaj DE MEESTER)




Refereyn

ICk houde voorwaer dat de helle is gheborsten

En dat al de duvels zijn uutghecropen

Al om is twist niet alleen onder de vorsten

Maer de leecken naer alder papen bloedt dorsten

Seerst hatende die meest haer sonden nopen

Tes al ghelooven betrouwen en hopen

Maer penitentie te doene wilt elc schouwen +

Om dat Christus bloet voor ons es ghedropen

Tes al voldaen den hemel es open

Wy en derven niet doen dan god betrouwen

Dees opinie regneert by mans en vrouwen

Waermen comt al de weerelt duere int ronde

Noch segghen de ketters weerdt om verspouwen

Dat wy gods geboden niet en cunnen gehouwen

Tes ommogelijc / alle ons doen es sonde
Het sijn al Christenen met den monde

Maer metten wercken sy als Turcken sneven

Recht oftmen gheen god oft gheen helle en vonde

O Christus Religie waer sydy bleven

Ons goede ouders devoot en simpele

Sijnde vanden heylighen gheest gheleert

Recht int gheloove sonder vouwe oft rimpele

Stichten kercken / en eerden gods timpele

Maecten beelden en hebben die sancten gheeerdt

De princen sijnde / ten gheloove bekeerdt

Maeckten oic kercken / en stichten canosijen

En hebben met haer goedt / gods dienst vermeerdt

Al haer landen duere / die sy hebben beheerdt

Waer af sijn comen / dees schoone abdijen

Vanden devoten Princen / dat moet elck lijen

Constantinus te Rome / veel kercken stichte

En liet dafgoden tempels / tot godshuysen wijen

Oic Karolus magnus / in sijnen tijen

Van cloosters te doen maken niet en swichte

Ware n dees blindt: nee n s / maer claerder va n gesichte

Dan de kercbrekers / die (god betert) nu leven

Siende den tijdt nu bi doen / seg ick ghedichte

O Christen Religie / waer sidy bleven
…..


Het is goet vrouwe syn, veel beter heere

H et is goet vrouwe syn, veel beter heere;

ghy maechden, ghy wyfkens, onthout dees leere.

Niemant hem te seere // om houwen en spoeye;

Men seyt: daer gheen man en is, daeren is geen eere;

maer die gecrygen can cost & cleere,

niet haest haer en keere // onder eens mans roeye.

Dits mynen raet, want soo ic vermoeye,

dagelycx vernoeye //, men siet dat gemeene.

Al is een vrouwe noch soo ryck van goeye,

sy crycht haest een boeye // aen haer beene,

ist dat sy trout; maer blyft sy alleene,

& sy haer reene // & suyver gehouwen can,

sy is heere & vrouwe: beter leven geene.

Ic en acht niet cleene // thouwelyck; nochtan:

ongebonden best, weldich wyff sonder man


Proper meyskens worden wel leelycke vrouwen,

erm danten, erm slooren, & dats duer het houwen.

Dit sou my doen schouwen thouwelyck voerwaer;

maer, wachermen! Als sy den man eerst trouwen,

sy meynen de lieffde en mach niet vercouwen;

dan ist hen berouwen // bovenmin dan een jaer.

Och! dat pack des houwelycx is alte swaer;

sy wetent openbaer diet hebben gedragen.

Een vrouwe lydt menigen ancxt & vaer,

als een man, hier oft daer //, gaet druck verjagen,

drincken & spelen, by nachten by dagen,

dan moet haer mishagen // dat sy ook oyt began.

Dus siet toe intyts, wildy nae niet clagen;

maer hoort myn gewagen //: wachter u van;

ongebonden best, weldich wyff sonder man.

Oock comt den man somtyts thuys droncken & sat,

als dwyff haer gewrocht heeft moede & mat;

want men moet al wat // doen, salmen thuys bestieren.

En wilt sy dan ooc eens rueren haer blat,

sy wert geslagen dan met vuysten plat;

dat droncken vol vat // moetse obedieren;

dan doet hy niet dan kyven en tieren;

dat syn de manieren //: wee haer die dat smaeckt!

Loopt hy dan elders by Venus camenieren,

peyst wat blyder chieren // datmen thuys dan maeckt!

Ghy maechden, ghy vroukens, aen ander u spaeckt,

eer ghy oock geraeckt // in sulcken gespan.

Al waert dat ghy my oock contrarie spraeckt,

my en roeckt wiet laeckt //, ick blyver noch an:

ongebonden best, weldich wyff sonder man.

Een vrouwe ongetrout moet derven smans gewin,

maer soo en derff sy oock niet wachten synen sin;

& nae myn bekin //, de vryheyt is veel weert.

Sy en wert niet begresen, gaet sy wt oft in;

en al moetse leven op haer gespin,

voerwaer veel te min // sy verteert.

Een ongebonden vrouwe wert allomme begeert;

al ist dat sy ontbeert // eens mans profyt,

sy is meester & vrouwe aen haren heert.

Te gane sonder steert // dats een groot jolyt;

sy mach slapen, waken, nae haren appetyt,

sonder iemants verwyt //. Blyft ongebonden dan;

och! de vryheyt moet syn gebenedyt.

Vroukens, wie ghy syt //, al crychdy eenen goeden Jan:

ongebonden best, weldich wyff sonder man.

prinche

Al is een vrouwe noch soo ryck van haven,

veel mans die achtense als hare slaven.

Siet toe als sy u laven // met schoone prologen,

en gelooftse soo saen niet, maer laetse draven;

want, my dunckt, de goede mans syn nu witte raven;

acht niet wat gaven // sy u brengen voer oogen:

als sy een vrouwe hebben int net getogen,

is lieffde vervlogen //; dit sien wy wel.

Int houwen wort menige vrouwe bedrogen,

die moet gedragen // groot swaer gequel:

haer goet wort gequist, de man valt haer fel;

ten is vry gheen spel //, maer noyt swaerder ban.

Tis somtyts om tgelleken & niet om tvel,

dat de sulcke soo snel //, seer liep & ran:

ongebonden best, weldich wyff sonder man.


Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween

Onlancx bezwaert zijnde met melancolijen,
De sinnen becommert, thooft vol phantasijen,
Van als overlegghende in mijn ghedachte,
Quam mij weijnich te voren dat mocht verblijen,
Aensiende de werelt nu ten tijen,
Zynde vol verdriets; dus werdt mij onsachte;
Dus dinckende, my phantazije voort brachte;
Twee mans persoonen mij haest in vielen,
Ghelijc van name, diversch van gheslachte:
Deen was Merten Luther , die dolinghe doet krielen,
Dander Merten van Rossom , diet al wil vernielen,
Die veel menschen bracht heeft in zwaer ghetruer;
Rossom quellet lichaem, Luther heeft de zielen
Deerlijc vermoort; dus esser cleijnen kuer
Tusschen hen bijen, elck es een malefacteur;
Ic engaef om den kuer niet mijnen minsten teen,
Maer want Luther de zielen moordt duer zijn erruer,
Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van Rossom heeft doen vanghen en spannen
Den landtman, roovende potten en pannen,
Makende hem therte alder bangste;
Merten Luther, weerdt tzijne van God ghebannen,
Heeft duer zijn erruer vrouwen en mannen
In tsviants prisoen bracht, dat es noch strangste;
Dat elck dus wilt rooven en trecken om dlangste,
Tcompt meest vuyt Luthers leere, twerdt noch bewesen.
Niemant en sal schier derven slapen van angste,
Want tgoet en ghemeene: wat volght vuyt desen?
Dat elck sonder vreese wilt een besiken lezen
Op zijns naesten erve, dblyckt alle daghe;
Waer om werdt Rossom ghelaect, Luther ghepresen,
Want zij zijn doch bije van eenen slaghe?
Luther es boost, ic en steecks onder ghen scrage,
Want hij onder de christen tgoet maect ghemeen.
Al wenscht men Merten van Rossom menigh plaghe,
Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van van Rossom met veel quaets ghespuys verselt,
Heeft menich schoon huys in brande ghestelt:
Maer Luthers boosheyt gaet verre boven screven;
Duer hem zyn kercken, cluysen, cloosters ghevelt,
Menich goedts mans kint, niet mueghelyc ghetelt,
Vuyten cloosters gheiaecht die nu deerlyc sneven;
Stelen en rooven daer zij by leven;
Van dien zijnder licht ooc onder Rossoms bende;
Waer om werdt Rossom dan alleene bekeven?
Leeliker dan zijne luydt Luthers legende.
Doet open u ooghen, ghy onbekende,
Die Lutherum loeft ende Rossom laect;
Aensiet Luthers bedryf, tbegin en dende,
Noch heeft hyt qualiker dan Rossom ghemaect;
Dit moet ghij lijden, hoe ghij de waerheyt messaect.
Ghy en kunt hier teghen niet gesegghen neen;
Maer, al zijn zij alle beijde van dueghden naect,
Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.



Ongebonden best, weeldig wijf zonder man


Ongebonden best, weeldig wijf zonder man

Het is goed vrouwe zijn, maar veel beter here.

Gij maagden, gij weduwen, onthoudt dees lere:

Niemand hem te zere om huwen en spoede.

Men zeit: daar geen man en is, daar en is geen ere;

Maar die gekrijgen kan kost en kleren,

Niet haast haar en kere onder eens man ‘s roede.

Dit is mijn raad: weest op uw hoede,

Want zo ik bevroede, ik zie 't gemene,

Als een vrouwe huwt, al is ze eêl van bloede,

Machtig van goede, zij krijgt aan haar bene

Een groten worpriem. Maar blijft zij allene,

En zij haar rene en zuiver gehouden kan,

Zij’ s here en vrouwe, beter leven nooit gene.

Ik en acht niet klene 't huwelijk, nochtan

Ongebonden best, weeldig wijf zonder man.


Proper meiskens werden wel lelijke vrouwen,

Arm danten, arm sloren: hoort jong met den ouwen!

Dit zou mij doen schouwen 't huwelijk voorwaar.

Maar, wachermen, als zij de man eerst trouwen,

Zij menen de liefde en mag niet verkouwen;

Dan is 't hem berouwen eer een half jaar.

Och, het pak des huwelijks is al te zwaar!

Zij weten 't klaar, die 't hebben gedragen.

Een vrouwe maakt door vreze menig misbaar,

Als de man hier en daar gaat druk verjagen,

Drinken en spelen bij nachte, bij dagen.

Dan hoort men beklagen dat men ooit began,

Dan en mogen u helpen vrienden of magen.

Dus hoort mijn gewagen en wacht er u van:

Ongebonden best, weeldig wijf zonder man.


Ook komt de man somtijds dronken en prat,

Als d'wijf haar gewracht heeft moede en mat;

Want men moet al wat doen, zal men 't huis bestieren.

Wil zij dan eens roeren haar snatergat,

Zo wordt zij geslagen met vuisten plat;

Dat dronken, vol vat moet ze obedieren.

Dan doet hij niet dan kijven en tieren,

Dat zijn de manieren: wee haar die 't smaakt!

Loopt hij dan elders bij Venus' kamenieren,

Peinst, wat blijder sieren men thuis dan maakt.

Gij maagden, gij weduwen, aan ander u spaakt,

Eer gij ook geraakt in zulk een gespan.

Al waar 't dat gij mij al contrarie spraakt,

Mij en roekt wie 't laakt, ik blijf er weer an:

Ongebonden best, weeldig wijf zonder man.


Een vrouwe ongehuwd moet derven 's mans gewin;

Zo en derft zij ook niet wachten zijn zin.

En, na mijn bekin, de vrijheid is veel weerd.

Zij en wordt niet begrezen, gaat zij uit of in.

En al moeste zij leven op haar gespin,

Voorwaar veel te min zij alleen verteert.

Een ongebonden vrouwe wordt alom begeerd.

Al is 't dat ze ontbeert eens mans profijt,

Zij is meester en vrouwe aan haren heerd.

Te gane onverveerd, dat 's een groot jolijt.

Zij mag slapen en waken na haren appetijt,

Zonder iemands verwijt; blijft ongebonden dan,

De vrijheid te verliezen, geen meerder spijt.

Vrouwkens, wie gij zijt, al kreegdij een goede Jan,

Ongebonden best, weeldig wijf zonder man.


Al is een vrouwe nog zo rijk van haven,

Veel mans die achten ze als haar slaven.

Ziet toe, als ze u laven met schone prologen,

En gelooft niet zo zaan, maar laat ze draven,

Want mij dunkt, de goei mans zijn witte raven.

Acht niet wat gaven zij u brengen voor ogen:

Als ze een vrouwe hebbe in 't nette getogen,

Is liefde vervlogen, dit zien wij wel.

In 't huwen wordt menige vrouwe bedrogen,

Die moeten gedogen groot zwaar gekwel;

Haar goed wordt verkwist, de man valt haar fel.

't En is vrij geen spel, maar nooit zwaarder ban.

't Is somtijds om 't geldeke en niet om 't vel,

Dat de zelke zo snel liep dat hij stan.

Ongebonden best, weeldig wijf zonder man.