DE MEESTER Z.


Brussels Blues


Mijn taal is ‘t huis waarin ik woon,

de huid waaruit ik nooit vervel,

het anker dat me werd geworpen.


Mijn taal is mijn adem en bestaan,

een woordenstroom, een troon

waarop ik zwalk in de lege oceaan.


Mijn taal is de oude kathedraal

waar ik gefluister hoor van doden,

en vergader met verlaten goden.


Mijn taal is het levende verhaal

van wat ik denk en vaag vermoed,

de warme schoot die mij voldoet.


Mijn taal ben ik, zonder taal

raak ik onder de voet: ik groet,

mezelf vergetend, faal en bloed.



Onze eigen republiek


Laten we lopen op het zomergras,

tussen hoge hagen in de avondzon.


Laat ons aan bonte bloemen ruiken

en horen hoe de verre, vrije vogels fluiten.


Laten we stilstaan onder het bomenlover,

aarde ademen en de wereld buitensluiten.



Requiem voor een ekster


De winter galoppeert door Pierenland

en de Japanse kerselaar bloeit elegant.

Hoe lig jij neer in 't zand, je pootjes staan

stokstijf omhoog, je lijf voelt warm aan.


Je ogen voorgoed dicht, sjampetter.

Voor altijd weg het schril geschetter

van jou, charmante gladde klant.

Geen huppelpasjes meer, vagant.


Nu word je nooit meer wakker,

blauwzwartwitte, ranke rakker.

Ik dek je zachtjes toe al in het bos,

in een bed van bladeren en mos.


Existentie


Ben ik een ander ras,

een vreemde soort,

een Marsiaan, een meteoor,

een wandelende metafoor?

Zeg me waar en wie ik ben.


Er is geen stem die ik herken,

geen echo’s van verdriet,

blind baan ik me de weg

doorheen het Grote Niet,

langs de verre sterrenrank.


Vreemd klinkt mijn klank,

raar klotst mijn geest,

ik zit met een groot ei,

de Tijd snelt me voorbij.

Ben ik er ooit geweest?


De Kilimanjaro fluistert


Ik ben het Dak der Wereld,

Ik zie mensen mieren in het woud,

de loden zon, miljoenen jaren oud.

De stoffige savanne luistert

als Ik weer eens schreeuw.


Ik ben de Man van Sneeuw,

Ik zie moeras en luie leeuw,

een rottend kreng, rood zand,

neushoorn, wrattenzwijn, olifant,

Ik zie gier, giraf en wildebeest.


Ik ben de Kiliman,

hoe dichter jij komt,

hoe verder Ik ben.

Ik ben de Boze Geest,

Mij bereik je niet, naar Mij

is nooit een weg geweest.


Van achter de schutting van Vandeputte (Lokeren, 1977 )


De snelweglampen branden,

dromend hangt de Durme* stil.

Het struikgewas – of zijn het bomen ? –

beloert me vanuit alle hoeken.


Ik kijk uit op een plezante plaats, een kleine oever

en hoor het plonzen van de eenden.

Mijn hoofd is leeg en in de donkerblauwe hemel

twinkelen twee sterren.


De beiaard van daareven klinkt niet meer,

de stad en ik zijn gans alleen.

Het bochtige jaagpad grijnst en denkt:

zó zou de wereld moeten sterven.


* bijrivier van de Schelde



Ga, ga niet zacht, in die goede nacht ( naar Dylan THOMAS)


Ga, ga niet zacht, in die goede nacht,

Een oude dag moet branden en bulderen aan het eind;

Raas en tier tegen het doven van het licht.


Al weten wijze mannen aan hun eind dat donker wacht,

Omdat hun woorden geen vonken deden vlammen, zij

Gaan, gaan niet zacht, in die goede nacht.


Goede mannen, voorbij de laatste golfslag, die huilen hoe helder

Hun tere daden hadden kunnen dansen in een groen dal, zij

Razen en tieren tegen het doven van het licht.


Wilde mannen die de zon op de vlucht vingen en bezongen,

En te laat merken dat zij ze kneusden onderweg, zij

Gaan, gaan niet zacht, in die goede nacht.


Sombere mannen, de dood nabij, die met verblinde blik zien

Hoe blinde ogen als meteoren kunnen gloeien en schitteren, zij

Razen en tieren tegen het doven van het licht.


En gij, mijn vader, daar op de droeve hoogte,

Ik smeek u, beproef, zegen me nu met uw felle tranen.

Ga, ga niet zacht, in die goede nacht.

Raas en tier tegen het doven van het licht.



Tot u spreekt postuum-flamboyant, Leopold Flam*


in een poel van verwarring op de wereld gezet

heb ik aan Spaanse griep beide broertjes dood

vreemde ledenpop houten eend in de bijt

zonder enig houvast in mijn donkerste nood

verroeste robot almaar rondjes draaiend

radeloze enkeling plavei ik het kronkelpad

hou ik mezelf met schrijverij voor de gek

en regenende kikkers maken de weg glad

in steekkaarten opgeslagen, in codes verbeest

vanbinnen gehavend, verdwaald en verdoofd

door withete wrok verteerde onrustige geest

de wrekende god bestaat alleen in mijn hoofd

door leeszucht gekweld, de leegte vullend

gebukt onder zielengeweld aan de grond

naar wat tederheid hunkerend verwond

spijt niet geleefd te hebben het volle pond

de Tikkende Tijd slaat toe met zoevende zeis

de verkrachte waarheid voor immer verkloot

de verknipte wereld woedt ijverig voort

en ik sjofele gejaagde wandelende Jood!


* Buchenwald nr. 48753


Krop


Er is die schrei

heel diep in mij

die rauwe snik

die in mijn ik

soms op komt wellen.


Er is die schrik

dat ik die snik

die schrei in mij

die hese stem

niet lang meer tem.


Elke dag een geschenk


(Naar Schopenhauer)


Elke dag

een leven in ’t klein.


Elke ochtend

een nieuw kleinood.


Elk ontwaken

en elk opstaan

een wedergeboorte.


Elk naar bed gaan

en elk slapen

een kleine dood.



Nog


Nog hangen blaren aan de bomen

en staan er asters veeg te dromen.

Nog proef ik herfstframbozen

en keur ik de late roze rozen.


Nog kleurt de einder oranjerood

en gaat daglicht langzaam dood.

Nog groeien de witte anemonen

en verdrijft wingerd de demonen.


Nog zullen bloeien winterkerselaren

aan het eind van veel te korte jaren.


Middelkerke


Nu sta ik hier, aan het einde van de pier,

te kijk tussen krijsende zeemeeuwen,

op een gladde basaltblok vol met wier.


De zee trekt haar wolkenregisters open,

zilverzonlicht strijkt over grijsgroen water

en ik zie allemaal krabbediertjes lopen.


Schuimkoppen rollen op een mosselbank,

't bruisen van de witte branding overstemt

het ruisen in mijn oren, god zij dank!


O god der goden


O God der goden, staak uw razen.

Hij, zak van bloed en zenuwbanen,

van zweet en snot en hete tranen,

hij heeft de wereld opgeblazen.


Hoor het draven van het paard

der verbeelding, de hoeven slaan

op hol achter de witte volle maan

en niemand stopt die dolle vaart.



Fallout


Toen ik een kind was en nog

argeloos sliep, droomde ik steeds

weer dat een reusachtige wolk

van spijkers naar beneden kwam

gedonderd en alles vernietigde.


Elke keer werd ik badend

in angst op een hoopje in

de hoek van de slaapkamer

wakker en stelde verbijsterd

vast dat de wereld nog draaide.


Zoniënlente 1976


Hoe groen het woud

van goud de stammen


zon en onweer

boven donker water


oude voeten staan

oude stemmen roepen




Wat telt


Kleine dingen blijven bestaan:

de rust van ruisende populieren,

de kleur van boterbloemen en van groenend gras,

de geur van bos na lenteregen,

de lach, de blos op meisjeswangen,

de warmte van haar naam,

de kinderhand achter het raam,

de traan die laat verstaan:

ik zal er zijn


What matters


Small things remain:

the peace of rustling poplars,

the yellow of buttercups and grass growing green,

the smell of woods after vernal showers,

the smile, the blush on a girl’s cheeks,

the warmth of your name,

the child’s hand at the window,

the tear that makes you understand:

“I’ll be there.”





De wenende wijsgeer


En alles waakt en alles droomt,

en alles wemelt, alles stroomt,

en alles kraakt en moet kapot,

en alles smaakt naar dood en rot,

en alles knettert, alles brandt,

en alles staat in nauw verband,

en alles dringt en alles groeit,

en alles wringt en alles vloeit,

en alles gaat eenmaal verloren,

en alles wordt weer geboren,

en alles wordt donker later,

en alles ademt vuur en water,

en alles wankelt, alles woedt

en herbegint en da’s maar goed.


Tegen beter weten in


Graag schreef ik, lezer,

het ultieme gedicht,

een monument voor eeuwen*,

een ontroerende lezing

van schoonheid en licht;


kortom, het wonder

waar de wereld op wacht,

een boeket van woorden

waar mijn en jouw ogen

naartoe worden gezogen.


Maar, wie leest er nu

over honderd jaar

mijn gedichten, laat staan

deze povere poging?

Deze jongen toch niet.


Me dunkt, lezer, dat

dat ultieme gedicht,

als het al wordt geschreven,

dan niet zal worden gelezen,

zo zijn we dus kiet.


* Horatius, Oden III, 30


Odyssee


Na al die jaren van dit leven spoel ik weer aan,

terug in de tijd, en alles is hier blijven staan.


Je onschuld nog steeds gevangen in je schaamte,

je ogen, nog even verlegen, staren zonder vragen,

ze kijken naast me, je mond wijst naar beneden.


In deze kille kamer van dit huis der vrekken

zie ik je omringd door liefdelozen die je nekken


Festina lente


Kon de tijd maar

stil blijven staan,

dan ving ik hem

in dit gedicht

en liet hem

nooit meer gaan.


Het Julius Beck-lied

Moeder, nooit keer ik naar uw aarde.

Ik kan het niet verkroppen

dat jij vergaat in wrange, kille haat,

er ingelepeld door franskiljonse nonnen,

hun kont afvegend met gevallen blaren.


Wat moest ik bij Dendermondse pedopaters

die ezelspikken molken in de kloostertuin

en, rood van Benedictijns plezier,

dat ventje molesteerden in de hellerefter,

onder jolijt van rijkeluizen en van Bravezeun?


Die kom-eens-naar-mijn-kamer-paters

die lachend friemelden met hun confraters

en hun schoonchristelijke frustraties

uitwerkten op de malle, argeloze kop

van iemand wiens gezicht nog brandt?


Laat me nu vrij zijn, onbezwaard,

een uit 't nest gevallen jong van vijftig

dat alleen nog wil gaan vliegen

over groene Provençaalse heuvels

en door de bomen turen naar 't azuur.



Wie ben ik?


Ben ik het gat in uw geheugen,

of is mijn naam een grote leugen?

Ben ik een miereneter in een wespennest,

of gaar ik stof dat van de sterren rest?


Ben ik de wind die door de vlakten jaagt,

of helle bliksem die om donder vraagt?
Ik vlieg verblind van hoog naar laag

en hoor het luiden van de klokken graag.


Ik plant wel duizend bomen,

en blijf van oceanen dromen.

Ik wandel door de appelgaard,

een lijster zingt zijn lied bedaard.


Waar de winden waaien


Waar de winden waaien, waar de vogels vliegen,

waar de bossen zingen, waar de nimfen wiegen,

waar de wolken wonen, waar de zon verdwijnt,

overal en in alle seizoenen,

wil ik leven, wil ik zweven,

wil ik voelen, wil ik zijn.



In Vlaanderens velden (naar John MCCRAE)


In Vlaanderens velden wuiven de papavers,

tussen rijen kruisen die van ons, kadavers,

de plek aanwijzen; en dapper in de lucht

zingen leeuweriken verder in hun vlucht,

amper te horen boven het kanongedaver.


Wij zijn de Doden. Kort geleden leefden we,

proefden morgenstond en zagen avondrood,

hadden elkander lief, en nu liggen we dood

in Vlaanderens velden.


Hervat ons gevecht met de vijand,

Naar U werpen we met falende hand

de fakkel; ’t is aan U die hoog te houden.


Als gij uw woord breekt met ons, kadavers,

zullen wij niet slapen, al groeien er papavers

in Vlaanderens velden.


Rivierenhof (l’Année des Méduses)

De Varse zilverstranden,

de blauwdoorkorven rotspartijen,

de roze kwallen, ze vervagen.

L. en ik

wandelen langs het dompige Schijn*,

door herfstblaren en door regenvlagen.


Oktober kleurt de wereld oker,

de zon een grote, ronde cirkel,

het leven uitvergroot.


*Bijrivier van de Schelde



Schopenhauer aan de Noordkaap

Het goede zit wellicht verstild verscholen

achter de eeuwenoude eenvoud van het schone,

de harmonie, de kathedraal van klank en licht,

de gouden graal van Yeats, Van Eyck en Bach.

Of roert zich onrustig een nog jonge, donkere god

in de zilverstraal die glinstert in het bedauwde bos,

de chaos, het barokke spel wan water, wind en wolken,

de billen van de baadster, de branding van Van Gogh?

Kunst is de kwellende queeste naar de kern der dingen,

het geluk waarvan je soms een geniale glimp ontwaart.



Goudland


Luister naar het teken,

leg af die boei,

breek de keten van pijn.


Hak de wak in het ijs, rijs

als de zon, bloei

als een cactus in de woestijn.


Neem prachtig afstand,

open je hart, groei

als een bloem naar het blauw.


Grijp naar de vrijheid,

bouw zélf je kooi,

nooit was de lente zo mooi.



Haiku 1


In volmaakte V

scheren eenden in de zon

over laag water



Haiku 2


Speenkruid zo teder

stralende gouden deken

wilde lentezoen



Nacht der haiku’s

Bij de manestraal

vliegen er schaduwen rond,
op bemoste grond;

traag vliet het water,

ginder aan de brede vaart
staat rechtop een paard;


de honden blaffen,
hun gehuil klinkt in de nacht
als een jammerklacht;

de vogels rusten,
verborgen in de bomen
gehuld in dromen;

de wolken jagen,
ergens slaapt zacht uit de wind,
zorgeloos een kind.



Tristichon

Ik word door weemoed overmand

wanneer ik twee witte vlinders zie,

rondfladderend op het strand


Verloren paradijs


Op het bemoste zeeterras

van een vervallen landgoed

springen kinderen in een plas.


De dolle wind stuift en jaagt;

een belle met champagneglas

walst tot de morgengloed.


Onder het gescheurd plafond

scheren gierzwaluwen staag,

regenvlinders warrelen rond.


Over het glanzend golvenkoor,

verborgen achter de horizont,

trekt de zon een zilveren spoor.



Petrarca achterna


Hij die moppert, wiens tong slijt door klagen,

Beseft niet dat hoop kracht wordt toegedicht.

Met een verdord hart, verstoken van elk licht,

Dwaalt hij maar voort door grijze regenvlagen.


Zijn trots verweert zich tegen ijle vragen,

Terwijl hij zijn ziel elk zuiver vuur ontzegt.

Hij kent de liefde niet, het zacht gevecht,

En in zijn borst blijft de angst nog knagen.


Wanneer zoete klanken zijn ziel doen zweven,

Wiegen galante goden op hun wolkenstoel.

Hij ziet die troostgezangen als een zegen

En vindt een nieuw begin en rijker leven,

Zonder een zweem van spijt of wrang gevoel.

Door dorst verteerd, kust de tuin de regen.



Wat niet wordt gezegd


Waar de atoomklok geduldig slaat,
waar achter deuren duister wacht,
hangt zware stilte als een loden last,
lonken de spelonken van verraad.

Terwijl hier alleen maar zwijgen past,
want wat men zegt, wordt verdacht,
draaien wij rondjes in de carrousel
van de Tijd die eigenlijk niet bestaat.

Een vogel scheert langs wolken
van verlangen, de stad ontwaakt;
wij zeggen niets, gevangen in de cel
van eeuwen, de Zeiser komt en gaat.



Wikken en wegen


Alleen in de kosmos,

volledig van god los,

de klok rond afhankelijk,

altijd vergankelijk.


Het leven is zappen

en schrijven is schrappen,

een gedicht een gevecht

met het vergeten.


Is het minnespel nog van tel,

zit je wel goed in je vel

als de mest wordt gekeerd,

als het lijf is verteerd?



Boek Daniël 5


En plots schrijft er een hand

het teken aan de wand:


'Uw dagen,

meneertje,

en uw geld,

zijn geteld.

Uw heerschappij

is haast voorbij.

U bent gewogen en

te licht bevonden.

En uw Rijk,

in tweespalt,

valt.'



Gasthuisstraat


Dáár was de eerste Vlaamse meisjesschool door moeder

opgericht, aan mijn In Memoriam werden één non en

twee pastoors toegevoegd, in de verte ’t Gasthuis waar ik

ben geboren, op de hoek de kleuterschool waar moeder

me de eerste dag weer naar Soeur Hermenegildis sleepte,

waar Juf Lucia me op de vingers tikte en ik terugsloeg.


Dáár het kerkhof waar mijn ouders aan gene zijde verder

kibbelen, de nooit gekende grootouders liggen en mijn

dode broertje, mijn wél gekende boerenbakker-opa, de

bazig-bezige oma die op de markt fortuin vergaarde, de

kwezeltante die ’s ochtends dood in bed gevonden werd

toen mijn oom in 't slachthuis was gaan worstendraaien.


Dáár moest ik elk jaar in de kou met chrysanten zeulen,

onkruid wieden, keitjes harken, putjes maken, want zo

vallen de potten niet om, ‘Dat kan je dan later voor ons

ook doen!', onkruid wieden doe ik nog altijd, 't is sterker

dan mezelf, na een tijdje werd de hele zooi bloemen in

een kuil gegooid, verstrooi mij maar in het water later.


Dáár, de smalle oprijlaan van Wittock-Van Landeghem,

firma die dekzeilen maakte en geheime kogelvrije vesten,

’s nachts sloeg de nooit te vinden Bende van Nijvel toe,

één dode bewaker en één voor het leven invalide vrouw,

dáár woonde Hector Riské, de worstelkampioen die alles

zag gebeuren en daarna ook afspraak had met de dood …



Laatste zomerdagen


Zeg tegen die engel die

me ontwapende vannacht

dat ik hier nu verslagen

met lege handen wacht.


Zeg haar dat ik op stoute

tenen sta, naar zuivere,

ruisende fonteinen ga,

naar brandende zanden.


Zeg dat ik vertrek naar de

wenkende oever, naar het

paradijs met groenend gras,

de verre, warme stranden.



Parted


She is forever gone, and I shall see her face

no more! I shall not hear her speak again

and at the thought my soul is sick with pain.

She is gone! I think I noticed her in the haze,

and then she vanished. Gone, and in her place

a stranger—nay, not her—I saw! My brain

swims dizzily. Is all the earth a bleak plain,

except this grave—where I shall sit and trace

her name on that green stone? She is gone!

And not a hair's breadth further from the sun,

than I am now. I know that I will have to wait

a little while for death!—My life is done,

the mornings of my days are past and gone,

I can but weep and watch the dreary gate.



Jardin de curé


Among the quiet sighs of trees,

I find a room full of living seas

where roots of thought twist and grow

and whispers ride the winds that blow.


The soil holds grace in silence deep,

a sanctuary where spirits sleep,

the softest chairs are blades of green,

embroidered with the morning sheen.


No hall of stone, no gilded dome,

a place where my heart is not alone,

each flower speaks a secret word,

each bee hums songs seldom heard.


The sky a roof of crystal glass,

where voiceless clouds softly pass,

and every bloom a friendly face,

my truest sense of time and place.


My garden is a mirror in which I see

a gentle shelter just made for me;

petals hover like an inward breath,

and hope grows from earthen depth.


In every leaf the seasons reach,

in every path lie lessons each,

and though I walk these paths alone,

something there is that I call home.




La valse du Rhône


Ah, dans la magnifique Montagnette,

c’est la chasse drôle aux casquettes,

joue l'mistral provençal au carambole,

conte le bon soleil de cristal fleurette,

sonnent les cigales les castagnettes,

dansent les oliviers la folle farandole,

au parfum du thym et de la sarriette .


De Rhônewals


Ah, in de magnifieke Montagnette

is het een dolle jacht op petten,

speelt Mistral de Provençecarambole,

waagt die goeie kristallen zon een flirt,

kleppen de krekels castagnetten

dansen de olijfbomen de farandole.

in een geur van tijm en sarriette .





Kontanimatie in Amsteld'rmam


(voor te dragen op sladbippers mét mandkopje an, door slanke blavinnen voor Zijne Stajemeid)


Kort na een schootbap of tien,

maakten twee gewijde maagden,

een vondeling in ’t Wandelpark,

met verkrachte eenden weliswaar.


Vet drolgegaaid pedoneerden zij,

een klein scheetje beef misschien,

gespeende lullen en schananebillen

op een zitbank en kees was klaar.


Dat zette voor Doos en Rien

nogal wat doden aan de zeik,

de spoog kan toch niet altijd

even gebannen staan, nietwaar?