Test
Download document

DE MEESTER, Zaj


Aubade


Lieve, opgeschrikte vogel,

de vleugel van je onschuld

is niet zonder kracht.


Zacht en helder wezen,

heidense madonna,

wars van alle schijn.


Ooit dring ik bij je binnen.

Eenzaamheid,

in u herken ik eeuwigheid.


Abraxas


Naar “Demian” van H. HESSE


Uit het ei wrikt zich de vogel,

hij zoekt licht, heeft nooit gevlogen.

Wie zo wil geboren worden,

moet de wereld wreed verstoren.


Kaïn, Demian, Abraxas,
ze rechten zich uit de as

en roepen van de daken:
“Als er geen god is, geen hemel,

ook geen duivel en ook geen hel,

dan weten we waar het om gaat,

dan bestaan alleen Goed en Kwaad.”


Kontanimatie in Amsteld'rmam


(voor te dragen mét mandmosker an)


Na een schootbap of tien,

maakten twee geweide maagden

een vondelingetje in ’t Wandelpark,

met verkrachte eenden weliswaar.


Zij pedoneerden daar zomaar,

een scheetje beef misschien,

hun schananenbillen op ‘n bankie,

gespeende lullen, reken maar.


Dat zette desniettaltemien

geen doden aan de zeik,

de spoog kan niet altijd

gebannen zijn, nietwaar?


Requiem voor een ekster


De Japanse kerselaar bloeit charmant:

de winter galoppeert door ’t pierenland,

jij ligt op ’t pad galant, je pootjes staan

stijf omhoog, je gladde lijf voelt warm aan.


Je ogen voorgoed gedoofd, sjampetter,

geen huppelsprongen meer, weg geschetter,

blauwzwart-witte, vranke rakker,

je wordt nooit meer, nooit meer wakker.


Op een zacht bed van blad en mos

dek ik je onder in het bos.


Canto ergo sum


Gedichten kunnen niet vergaan,

want ze worden ergens verwacht,

geleid door muziek van de sterren

en het zilveren licht van de maan.

Hun akkoorden dansen fier,

op ’t Wijde Web en op papier,

als lampionnen in de nacht.

(met inbreng van Fredy SCHILD)


Verhef de harten


Wij mensen schreeuwen onze woede uit

tegen het verval dat het einde inluidt.

Want wat ziet het dier na de daad ?

Ruikt het de doodsslaap die komen gaat ?


Herinneringen vervagen, vergaan.

Geen steen blijft op de ander.

Onze tranen zijn natte sterren

die hoog in de hemel staan.


Haiku


In volmaakte V

scheren eenden in de zon

over laag water



Van achter de schutting van Vandeputte (Lokeren, 1977 )


De snelweglampen branden,

dromend hangt de Durme* stil.

Het struikgewas – of zijn het bomen ? –

beloert me vanuit alle hoeken.


Ik kijk uit op een plezante plaats, een kleine oever

en hoor het plonzen van de eenden.

Mijn hoofd is leeg en in de donkerblauwe hemel

pinkelen twee sterren.


De beiaard van daareven klinkt niet meer,

de stad en ik zijn gans alleen.

Het bochtige jaagpad grijnst en denkt:

zó zou de wereld moeten sterven.

* bijrivier van de Schelde


Naar Wormelaar: idylle


In de friste van de morgen

streelt de mei-zon mijn gezicht,

onder witte bloesemwolken,

worden alle tinten groen en licht.

Wind ritselt door de takken,

boterbloemen, koeienvlaaien,

en een ooievaar wiekt rond,

op Nayakker krijsen kraaien.


Zo is het nu, zo was het vroeger.

Stil staat de tijd tijdens mijn tocht.