BURNIER, Andreas


Wie zal de nacht in strikken binden?


Wie zal de nacht in strikken binden?

Je naam heb ik nog niet vergeten,

maar op het zachte weefgetouw geweven,

zoals een roos bloeit in de wind.

Ik heb je naam goed opgeschreven

en aan een wit papier gehangen

waar kinderen mee spelen kunnen,

zodat je naam in hun verlangen

bewaard zal blijven voor de wind.

De slanke dansen van verdriet

heb ik ’s nachts op het plein gedanst,

de zee, de sterren en het strand

zijn weggegleden uit mijn hand.

Maar dansend heb ik onbezonnen

je naam geroepen tot de muren,

totdat de huizen binnenst buiten

schaterlachten van verdriet.

Terwijl ik in mijn dorpen liep,

heb ik gevraagd aan de beminden:

waar kan men oude namen vinden?

Wie kent de naam die mij verliet?

Wie deelt de droom die in mij sliep

en zal het hart in bloemen winden?



Zonnestilstand


een ogenblik leek het alsof de wilde

begerige zon zich als een rode schijf

halverwege de hongerende aarde zou

storten. Maar de groene en witstille

stroken en takken en smalle beken

vol zachtblauw gemurmel konden die

vreselijke bloedhete lekkere ondergang

niet aan. Op hoge paarden snelden

Amazones door de bossen en redden

wat er te redden viel: hier een kind

met een groot, geschoren hoofd, daar een

geliefde die de zachte dijen van haar

geliefde kuste. Zij riepen met schrille

vertwijfelde kreten de goede blinkende

maankrachten aan en ook elanden, eenhoorns

en allerlei witte bloesems werden

geofferd en wijn en herinneringen.

Toen stokte de zon en bleef staan.

Iets dichterbij dan gewoonlijk.

Een zwartrode schijf op het laatste

moment tot stilstand gebracht.


Het kind


de avond heeft als schuwe droom

de ingemiste stad genomen

de mist is koren op de molen

van kind en gnoom


maar ik die niet weeromme kom

wat is het luwe avondloon?

een wikwak wolk

een brimbam boom


en eenzaamheid rondom.