Test
Download document

CARMIGGELT, Simon



Het lillend leed

…..
Dokter Baanbruller had professor moeten worden, want hij wist alles. Hij werd het niet, door intriges. Een wrange trek kwam uit zijn nob'le mond sluipen. Was hij vroeger opgeruimd fluitend bezig met zijn pestratten en zijn choleracultures - nu zweeg hij balsturig. Zijn kloeke mannelijke nek boog naar de grond. Hij liep als iemand die eens een kwartje gevonden heeft en nu telkens kijkt, of er soms weer een ligt. Zijn baard hing moedeloos, zijn blik stond droef en grammig. Het was zijn levensknak. Bij moeder aan 't theeblad barstte hij vaak in hol gelach uit. Maar dan opeens weende hij, als vroeger. 'O moeke, 't is zo gemeen.' De oude, zwaar bevleesde vrouw borg dan dat bemind hoofd ergens weg. 'Stil Wim', luidde haar warm bescheid, 'ik weet wel dat jouw marmotten veel briljanter stierven.

…..


Gedundrukt
…..
Het café aan de Herengracht had vier stoelen en twee tafeltjes buiten staan. Nauwelijks een terras. Maar je werd er, na een tijdje, wel degelijk bediend door een wat stuurse waard, die verrassend goede koffie schonk. Ik zat er eerst alleen, want het weer was niet zonnig doch pruilde, op de rand van een huilbui. Daarom liepen de mensen voorbij. Maar na een minuut of tien ging er toch een man aan het andere tafeltje zitten. Het woord ‘heer’ wordt in Amsterdam alleen nog ironisch gebruikt door taxichauffeurs. ‘Dag heer.’ Toch wás hij er een, zij het zonder een zweem van nutteloos deftig vertoon. Hij leek me een beetje bejaarder dan ik, maar hij miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren. Hij had – integendeel – kleine binnenpretjes zonder voor mij waarneembare aanleidingen. Ze kwamen uit hemzelf en gingen gepaard met een trekje om zijn mond en een zacht, snuivend geluid dat uit zijn neus kwam. Hij bestelde een jong klaartje, waarvan hij niet gulzig dronk doch nippend proefde. Hij wist hoe het moest.

…..


Twintig
…..
‘Ik zal je eens wat zeggen over vrije opvoeding. Ik vroeger – ik vertelde mijn ouders niks. Maar ik deed wat ze zeiden. En zo’n modern kind vertelt je alles, maar ’t doet nooit wat je zegt. Nou ja, aan het begin is dat geen doodwond. Maar zo’n meisje groeit op, hé, en dan komen de jongens. Goed, de natuur moet zijn loop hebben, dan kan ik billijken. Maar ik weet nog precies, ze was veertien en toen komt ze thuis met een knul van achttien. Ik zag ’t zo – een gluiperd van het zuiverste water. Harry – ik droom nog wel eens van hem als ik wat zwaar getafeld heb. Maar wat doe je, in de moderne opvoedkunde? Je zeg niet : ‘Zeg, uit me ogen met dat stuk verdriet.’ Nee, haalt de kwal in of hij Sinterklaas is. Die Harry! Hij was er voortdurend en mee-eten. Hij moest ook telkens mee-eten. En dan was hij zo gedienstig, weet je wel. Zo glijerig. Hij reikte je alles an – de sju en het zout en de aardappels. Bah, dacht ik, als dat me schoonzoon worden moet, dan verhang ik me op een mooie, stille zondag in ’t Bosplan. Maar ja, ze was veertien toen, dus je had nog wel een zekere invloed. ‘Hoe vind je Harry, pa?’, vroeg ze. En ik link. Ik begon ‘m enorm te prijzen, man, ik prees hem regelrecht het graf in. Dat hij zo beleefd was. En dat hij je alles zo mooi aanreikte. Op die manier zaagde ik indirect de poten onder zijn stoel uit, want zo’n meisje heeft dat niet graag, dat pa zo enthousiast is. In een maand had ik ‘m plat. Dag Harry.

Hij lachte grimmig, maar bewolkte dadelijk weer. Maar ja, Harry gaat en Kees komt en Kees gaat en Pim komt en Pim gaat en Nicky komt ... En allemaal mee-eten. Ik heb wat voedsel verstrekt aan die knapen. Maar ik dacht altijd maar: rekken en erbij blijven, als ze eenmaal twintig is, dan moet ’t zelf maar weten. Dan is het mijn schuld niet meer. Goed dat heb ik nou bereikt.

Hij prikte het laatste stukje haring op, en zei: ‘Die jongen die ze nou heeft, och, hij is goed, maar sukkelachtig. Hij helpt mijn vrouw bij ’t afwassen. Hij glimlachte melancholiek en liep met brede pas de stad in. Om het te vieren, denk ik.

…..


Maatschappeljk verkeer

…..
Soep. Elke dag andere soep. Ballen d'r in. Zulke ballen. En zuivere vleesballen hoor. De ene keer vier, de andere keer vijf, ik heb er wel eens acht gehad, maar dat was natuurlijk een tref. Nou, als de soep op was en je had twee, driebordjes genuttigd, dan kwam er vlees, aardappels en groente. Zó'n stuk vlees. Met sju erbij. Goeie vette sju. Waren je aardappels op, dan riep je maar: “Juffrouw Annie, hiero!” en dan kwam ze aan met de pan en de pollepel, pats – we hebben wel eens gelachen, ze zei een keer: “Nou, het lijkt wel of deze tafeldirect op de riolering is aangesloten.” Puddinkie toe. Lekker puddinkie. Goed inde krenten. Maar daar kon je er maar één van krijgen. Dat is begrijpelijk. Wie dan meer pudding wil, die moet maar betalen, niet waar? D'r waren wel types die wouwen vier, vijf puddinkies eten, inbegrepen... ach meneer, dat heb je altijd. Daar zijn wel eens harde woorden over gevallen. Maar verder geen wánklank.’

‘En 's avonds?’ vroeg ik, want het begon me mee te slepen.

‘Ho ho,’ riep hij glimlachend. ‘Vergeet de thee niet. Om vier uur was het theedrinken geblazen. Wéér met zo'n wafel. Eén. Maar net zoveel thee als je wou, drie, vier, vijf koppen, dat gaf niet. Na de thee ging je naar je kamer, 'n halfuurtje liggen, je gezicht eens een beetje wassen en je handen, nou, en dan stond beneden de tafel al gedekt voor het diner. Soep weer. En een warmschoteltje... lekker hoor, alleen voor de gróte eters een beetje weinig. Maar geen nood, want daarna had je weer je vlees, je groenten, je aardappels, allemaal volop. En een stukje fruit toe. Dat mocht je nemen uit zo'n mand. Iknam meestal een peertje. Lekker peertje. Niet groot. Maar sappig.’

Hij keek er peinzend op terug. ‘Nou, 's avonds ging je maar vroeg slapen,’ zeihij. ‘Ik kan u Brabant aanbevelen, hoor. 't Is práchtig daar.’

…..