Test
Download document

VAN ALPHEN, Hieronymus


De Starrenhemel
……

Daar rijst het tintlend starrenheir!

En de aarde zwijgt verbaast.

't Gestarnte spiegelt zich in 't meir,

Waarop geen windje blaast.

't Is alles hemel wat men ziet;

Zelfs bergen vluchten heen.

't Verdorde blaadje schuifelt niet;

't Gestarnte spreekt alleen.


Het onweder

Hoe schoon schiet daar de bliksem neer!

Hoe statig rolt de donder!

De wolken pakken saam, of drijven heen en weer;

Terwijl ik in dat al, geduchte Hemelheer!

Uw Majesteit bewonder.

Nu is 't voorbij; een frisse lucht

Omringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen.

Ik zie een nieuwe glans op boom en veld en vrucht;

Maar, eeuwig God! gij blijft geducht,

Zelfs in uw zegeningen.

Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft?

Ach wilt daar nooit voor vrezen!

't Is een geschenk dat God ons geeft,

En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen.


De pruimenboom


Een vertelling


Jantje zag eens pruimen hangen,

O! als eieren zo groot.

't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,

Schoon zijn vader 't hem verbood.


Hier is, zei hij, noch mijn vader,

Noch de tuinman, die het ziet:

Aan een boom, zo vol geladen,

mist men vijf zes pruimen niet.


Maar ik wil gehoorzaam wezen,

En niet plukken: ik loop heen.

Zou ik, om een hand vol pruimen,

Ongehoorzaam wezen? Neen.


Voort ging Jantje: maar zijn vader,

Die hem stil beluisterd had,

Kwam hem in het lopen tegen,

Voor aan op het middenpad.


Kom mijn Jantje, zei de vader,

Kom mijn kleine hartendief!

Nu zal ik u pruimen plukken;

Nu heeft vader Jantje lief.


Daarop ging Papa aan 't schudden

Jantje raapte schielijk op;

Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,

En liep heen op een galop.