MARSMAN, Lieke
Vasthoudendheid
Je ogen zijn zo rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde van geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van.
De overkant van de canyon
wat er aan de overkant was, wilden we weten
van die duizelende diepte met het heldere water
dat wandelaars koelt. dus daalden we af
langs de gruizelende randen en het vogelgeschater
naar de tengere cactus. jij moedigde me aan
en je hielp me op de bodem om te kiezen voor vervolg
als je een landschap was, dan was je een canyon:
tot grote hoogte uitgesleten
ik verkwistte in jou al mijn vrolijke dagen
en keek ’s nachts vanuit jou naar die brave planeten
je zou je geschiedenis zijn – dat ben je
wat er aan de overkant is, kan niemand weten
Kern
Hoe vaak dichten we onze voorouders voorkeuren toe
terwijl ze zich genoodzaakt zagen?
Tempels en altaren, piramiden
gebouwd omdat hele volken
wanhoop probeerden te blussen
met fysieke arbeid. Vergeef ons, zonnegod,
hier een steen. Op een steen
op een steen. Totdat de spieren zuur zijn,
de longen te uitgewrongen
om nog deze brand te voelen
die onze ziel in vuurtornado’s hult.
Nederland
Je nostalgie is oprecht, maar je rookworst is nep
Je boodschap is groen, maar aan je platform kleeft bloed
Je algoritme sadistisch, je vangnet een hoepel
Je bijstand gekort, terwijl optimisme een plicht is
Je plan radicaal, wanneer de camera draait
Je vaccinatiegraad hoog, als je managers telt
Je vrijheid een waakvlam, democratie polyester
En niemand die weet wat je ware gezicht is
Je geweten, verleden, je opinies, experts
Je consultants, commissies, obsessies, je taal
Je vergeten kwitanties met het hele verhaal
En je schoorvoetende sorry, dat aan niemand gericht is
Je hoort ‘het begin van het einde’, denkt: einde
steeds vaker. Aan deze maskerade van nevenschade
met op de achtergrond het gerinkel van centen
Je bent een winkel, zegt men — die dicht is
Bij gebrek aan natuurijs ben je een schaatser die zwemt
en je zwemt langzaam omhoog naar een boei, waar het licht is
Wee wat zich wreekt, je bent een burger die stemt
Het is bijna lente. Je bent moe, maar je bent er nog
Vraag niet hoe, maar je bent er
Sneeuwuilen
…..
……………………………..Het donker antwoordt met kikkers
en kraaien, maar zijn uilen geeft het niet prijs. Je zou de
vissenogen van je huid willen wassen, alle uitstervende
vogels niet meer dan ondergesneeuwde herinneringen
laten zijn, sneeuwuilen, misschien nog één keer
niet durven zwemmen in een vijver vol karpers, maar daarna
volwassen worden………………………..
…..
Ondertussen
…..
Langzaam
verkreukelt mijn stem deze muren
van sneeuw totdat het tussen het blad
zo drassig wordt dat we er niet meer
kunnen lopen, traag
meestromen met de rotsen
en de muizen, de sparren en
velden, kapellen, de Mariabeelden
die hun altaar gebruiken als schip.
Ik zal zo hard zingen
dat het mos ontdooit.
Ik zal zo hard zingen
dat de berg smelt.
Ik zal zo hard zingen
dat er weer paarden kunnen verdrinken
in het moeras aan mijn voeten.
Let u allemaal even op: de
voetgangers zijn ingehuurde acteurs:
Onze lichamen gebaren dramatisch, maar in een
taal zonder antwoord. Onhandig als paspoppen
staan we, niet in staat elkaar vast te houden.
De beste vijf vingers vergroeid in een eerste
onzekere handdruk. Onze gewrichten zijn sneller
stroef dan onze spieren kunnen verslappen. Er zit
geen rek in dit skelet. Elke pas is een tel te laat.
…..