Download document













GRAULS A.W.


Schemer


Dit winterharde land

waarover raven klagen.

De levenloze sneeuw

waarin treurbomen staan.


Mijn strakke ogen, die

genade willen vragen

en ’t zware wolkenspel

in schemer zien vergaan.


Dit onbeholpen vers

dat 'k niet heb willen schrijven

en dat 'k weet niet waarom

of hoe het tot mij kwam.

Ik zie een moede meeuw

laag in de avond drijven

de verre einder toe,

naar ’t streepje zonnevlam.



Nachtelijk landschap


Vlak in de weide valt een ster

Een klok klept ergens diep en ver.

De beek kruipt bang uit 't donker woud.

Een rat knaagt aan een stukje hout.


Het dorp slaapt aan de kant der baan.

Een haan kraait naar het licht der maan.

De wind beweegt een uithangbord.

De wachthond spitst zijn oor en mort.


Een boef gluurt achter elke boom.

Het meisje heeft een nare droom.

De schaduw breekt een zolderruit.

De vleermuis jaagt. Een vogel fluit.


Volle maan


Volle maan in wolkenlucht,

roestig lover vult de lanen.

Stilte ruist in windezucht,

weegt op al de avondbanen.


Over ’t water, donkre vloer,

trage vlag, die klammig wappert.

Hondje bast op binnenkoer.

Kerkklok in de verte klappert.


Angst, die om de daken draait,

waait door alle ramen binnen.

Ogen, door de slaap gemaaid,

wemelen van zwarte spinnen.


Waanzin hamert op de lamp.

Slechts het uurwerk droomt gelaten.

Veel te zwak voor open kamp

vlucht gij naar de open straten.


Kempisch landschap


De wegel slingert bruin en smal.

De hemel barst van bolle wolken.

een magere koe hoest in de stal.

De westwind doet de wereld kolken.


Oneindig deint de vlakte uit:

Areen van heigewas en mossen.

Het veen: gebroken spiegelruit.

De horizon: een nacht van bossen.


De steenweg: eenzaam staat een huis.

Turfrook blijft in de bomen zwerven.

De stilte kreunt in ’t ijzeren kruis,

waar Jezus rustig hangt te sterven.



Monoloog


Ik, tussen hoop en waan en twijfeling,

nu eens blij en dan een donker ding.

De tijd snelt voort, het leven klampt zich vast

aan broze dromen en herinnering.


Wending

De gouden korenaren zijn verdwenen.
Op de akkers is het rapengroen verschenen.
Het nare najaar nadert dag aan dag.
Het landschap krijgt de kleur van natte stenen.


Kwatrijn

O God, waarom ben ik te laat geboren?
Slechts aarzelend durf ik nog een mens mij noemen.
Ik ben een veld, waar in de kale voren
de laatste stoppelvlammen krakend zoemen.


Mijmering


Zij zingt en rode rozen bloeien open.

Uit verre dagen geuren heliotropen.

Teer glijdt een heugenis langs dreef en bos.

Door 't mijmrend hart vleugt een verloren hopen.



Verloren


De stilte wordt steeds groter in mijn hart;

ontgoocheld, word ik kalm en stroef en hard,

geen tranen bloeien meer in mijne ogen,

al loop ik dagen rond, somber, verward.


Grens


Een wolk bedekt het vroege avondrood.

De wind bestormt het water in de sloot.

De regen striemt de laatste illusies neder.

Het licht is blij dat 't uit is en gaat dood.


Ledigheid


Ruis, regen, droppel over veld en wegen

en raas op 't dak: ik heb er niets meer tegen.

Ik droom voor 't raam, ik droom ik weet niet wat.

Ik zie de wolken gaan en drijven en bewegen.


Spijt


Wanneer de wind 't verlaten bos doet zingen

en grauwe wolken rond de herfstzon kringen,

wanneer alom het groen verdort, o hart,

dan bloeien stil zovele herinneringen.