Test
Download document

ROEKA, Alex



Als je blijft


Nee, ik zal niet meer drinken

In zwijmel verzinken

Althans niet meer zo lang

Niet meer nachten verdwijnen

Door de stad lopen deinen

Alleen zo nu en dan


Ik zal de tuin laten bloeien

De heg laten groeien om ons stille domein

De hond laten springen

Het huis laten zingen van ons geheim


Als je blijft, als je blijft


Ja, ik zal beter luisteren

Mijn oor aan je kluisteren

Ook al klets je maar wat

Mijn hand op je leggen

Met zachte stem zeggen

Dat je gelijk hebt schat


Ik zal het afval verbranden

De schuld en de schande, ons beider venijn

De vlammen vereren

En uit de kleuren leren hoe het terug zal zijn


Als je blijft, als je blijft


We zoeken de plekken weer op

De zomerse heuvel, de lange galop

Je weet wel, mooie, wat ik bedoel… Dat gevoel


Ik zal je lijf laten gloeien

Je heupen verschroeien, de demonen verslaan

Je mijn hart laten voelen

Je ermee overspoelen zodat je nooit meer wilt gaan



Als je blijft, als je blijft


Noem ‘t geen liefde

We kennen elkaar nu al zeven jaar, zeven diepe krassen in de muur.

Achter in de kamer zing je met je hese stem: 'Liefde is het hondje van m'n ziel.'


We zagen elkaar zomaar in 'n straat, waren naar het grote onderweg.

Er was iets dat ons samenhield daar even voor 'n nacht,

daarna niet meer losliet uit z'n klem.


Noem 't geen liefde, alsjeblieft, noem 't wat je wilt, maar noem de liefde

liever niet. De ochtend schiet over het land. Ergens in de rand van het bos

zit de havik stil te wachten of er al een haas of houtduif komt.


Niet meer dan wat woelen in je slaap op de vage beelden van 'n droom.

Maar nu sta je voor de spiegel in je blauwe jurk. Alles lijkt zo eeuwig en zo licht.


Noem 't geen liefde, alsjeblieft, noem 't wat je wilt, maar noem de liefde

liever niet. De boer giet z'n melkbussen vol. Diep in haar hol ligt de vos

met d'r jongen stil te wachten tot rond de kippen straks de schemer valt.


Alsof we in elkaar geboren zijn, twee verloren kinderen van een gril.

Bang kijken we elkander aan, lijken vroeg of laat in elkaar ook dood

te moeten gaan.


Noem 't geen liefde, alsjeblieft, noem 't wat je wilt, maar noem de liefde

liever niet. De wolken trekken traag voorbij. Ginder in de wei staan de paarden

dicht opeen en wachten stil tot straks de wind hen weer over de heuvels jaagt.



De muur van Geraardsbergen


Als de natte wind in je botten dringt

En de hamer zingt langs je oor:

‘Hier nog een lel dan op je nek!’

De keienstraat door je benen slaat

En het pijnbeest knaagt aan je knie,

Het einde loert in de drek.


Ja, dan komt de muur en hij bijt meteen,

Het zuur snijdt door je heen, gemeen, een, twee, nee.

Hij trekt je adem en je snot vanonder uit je rauwe strot.

Waarom, o God, waarom?


Als de dunne schijt langs je dijen glijdt

En de hele zooi rijdt van je weg.

Nooit kom ik verder dan de goot.

En je wordt klein en het is allemaal schijn

En je zou meer moeten zijn dan een dweil.

Waarom, moeder, ben ik al dood?


Ja, dit is de muur en hij is diep en vuil,

Een spleet, gat, knekelkuil. Hoe kom ik eruit?

Hij hangt aan mijn rug als een blok beton,

Knijpt de godvers uit mijn droge tong.

Ah hond, ja hond, nu moet je gaan.


Wordt het stof of wordt het goud?

Wordt het gras of wordt het steen?

Wordt het nacht of licht?

Ah, ik neem die bult alleen.


Ja, dit is de muur en ik vreet hem op,

Schop mijn drog over de top en jank, jank, jank niet meer.

Het gaat alweer naar benee, ik jaag met de besten mee,

o nee, mij krijgen ze niet.

Het gaat alweer naar benee, ik jaag met de besten mee,

O nee, mij krijgen ze niet.