Test
Download document

BROES, Bert


Dit is de tijd

Dit is de tijd dat van land tot land,
de stormwind waait, die zucht van eeuwen lijden,
die zuiv'ren zal en kaf van koren scheiden.
Dat schrijlings op een wolkenrand,
voor nieuw geloof, de nieuwe eng'len rijden.
Dit is de tijd !

Dit is de tijd dat van stad tot stad,
de vonken slaan waarin zich pijn ontspande,
tot zuiv'rend vuur dat alles zal verbranden.
En 't huis waaraan de tijdworm vrat,
tot as vergaat met balken en met wanden.
Dit is de tijd !

Dit is de tijd dat van straat tot straat,
de boodschap kruipt dat tirannen moeten wijken.
Dat jonge handen nieuwe maten ijken,
die morgen als de gongslag gaat,
de meters zijn voor armen en voor rijken.
Dit is de tijd !

Dit is de tijd dat van huis tot huis,
de zekerheid groeit dat 't ergste is geleden,
de zekerheid dat 't hardste is gestreden.
En 't oude spel van kat en muis,
verleden wordt waarover walsen reden.
Dit is de tijd !


Geuzenlied

Men wil ons doen geloven,

dat als Christus nu zou door Leuven gaan,

Hij met het gezag tegen ’t volk zou staan,

dat hij niet zou meestappen in de straat,

maar dat hij als purperen prelaat

zou zetelen daar binnenin,

zou zetelen in het sanhedrin.


Men wil ons doen geloven,

dat de wijsheid en de christelijke gena

slechts bloeien in ’t vaderland van papa,

men legt de toog af voor een broek,

maar draait het blad niet om in ’t boek,

doch niemand drinkt nog braaf en mak

die zure wijn uit die nieuwe zak.


Wij hebben niet vergeten,

dat sabel, matrak en waterkanon

eens de wil dienden van de nobiljon

en daarna die van de katoenbaron

en altijd weer die franskiljon

en dat, toen priester Daens begon,

hij op ’t sanhedrin niet rekenen kon.


Wij zullen niet versagen,

want voor ’t volk kwam er nooit een straaltje zon,

dat het niet door strijd en zege won.

Voor ons de kerker, voor ons de straat

en uit zijn erker kijkt de prelaat.

Wij vechten te Leuven en overal,

tot we winnen – en de kardinaal ons zegenen zal!



Er was een tijd


Er was een tijd dat wij elkaar nog niet kenden

Dat jij een meisje en ik een jongen was

Eentje aan weerszij van de bonte bende

Die liep te stoeien door het zomergras

Maar op een dag volgden we bei dezelfde witte vlinder

Telden we bei de blaadjes van dezelfde bloem

Sindsdien stoeit er aan weerszij eentje minder

En 't is sindsdien dat ik je voornaam noem.

En 't is sindsdien dat ik je voornaam noem.


Er kwam een tijd dat wij elkaar beter kenden

Dat jij mijn meisje en ik jouw jongen was

We zwierven blij van Lommel tot Oostende

En voor het eerst dronken we uit hetzelfde glas

En elke dag volgden we weer dezelfde witte vlinder

Telden we bei de blaadjes van dezelfde bloem

we werden stil en stoeiden al maar minder

En 't is sindsdien dat ik je liefste noem.

En 't is sindsdien dat ik je liefste noem.


Er kwam een tijd dat wij elkaar zo goed kenden

Dat wij geen uur meer weken van elkaar

waarbij zich d'een zo goed aan d'ander wende

Dat wij elkaar verstaan met een gebaar

En elke dag volgen we nog dezelfde witte vlinder

Tellen we nog de blaadjes van dezelfde bloem

Ik hou van jou veel meer al zeg ik minder

Al droom ik meer je naam dan ik hem noem.

Al droom ik meer je naam dan ik hem noem.


Er komt een tijd dat één 't gelaat moet wenden

naar 't ander land vanwaar geen wederkeert

Hij zegge daar hoe goed wij elkaar kenden

Ik wed men laat zo'n liefde ongedeerd

En op een dag volgen we weer dezelfde witte vlinder

Tellen we weer de blaadjes van dezelfde bloem

Als jij bij mij bent dan vrees ik 't einde minder

Het is zo goed als ik je voornaam noem.

Het is zo goed als ik je voornaam noem.