Test
Download document

NOOTEBOOM, Cees



…..
Je wordt natuurlijk wel gelooid. De wereld is daar heel goed in. Iedereen begint met talent, iedereen heeft een kaarsje en dat brandt. De meeste mensen laten het uitgaan of het wordt door anderen wel uitgeblazen. Dat begint al vroeg. Een kind tekent een huis met een veel te grote zon. De verhoudingen kloppen niet, zegt de volwassene. Dan ben je al bezig aan de afbraak. Of een kind vertelt een verhaal dat niet klopt. Dat heb je gelogen, zegt een volwassene. Nee, het kind heeft het verzonnen. Je moet tegen elke wind in, in iedere storm, dat kaarsje zien aan te houden.
…..


Rituelen
…..
Hij had de lege, gevaarlijke vlakte van de dag in allerlei precies afgemeten stukken verdeeld, en de grenspalen die aan het begin en het uiteinde van die stukken stonden bepaalden zijn dag met niets ontziende hardhandigheid. Als hij ouder was geweest had Inni zeker geweten dat de angst die Arnold Taads regeerde zijn tienden in uren wenste te ontvangen, uren, of halve uren, kwartieren, willekeurig aangebrachte breukpunten in dat onzichtbare element, waar we tijdens ons leven doorheen waden. Het was alsof iemand in de oneindige woestijn bij een bepaalde zandkorrel had afgesproken: daar alleen kon hij eten, lezen,- elke van die afgesproken zandkorrels riep met dwingende kracht zijn eigen complementaire activiteit op, tien millimeter verder brak het noodlot al aan. Iemand die tien minuten te vroeg of te laat kwam was niet meer welkom, de maniakale secondewijzer sloeg de eerste bladzijde om, speelde de eerste noot op de piano, of zette, zoals nu, op de laatste slag van zevenen een pan goulash op het vuur. “Eén keer in de week maak ik eten,” zei Arnold Taads,” meestal een stoofpot. En soep. Ik maak precies genoeg, zeven maal voor mij, en eenmaal voor een gast. Komt er niemand, dan is dat voor Athos.” Het deed Inni genoegen dat hij de portie voor de hond opat - hij hield niet zo van honden, vooral niet als ze in zo’n verstikkende symbiose met hun baas leefden. Het sloeg kwart over zeven en ze gingen aan tafel. (Hij at zoals hij liep, snel, met mechanische bewegingen, iemand die zich voedert. Als hij, dacht Inni, om welke reden dan ook plotseling opzij zou kijken, zou die onafhankelijke, door andere instanties bestuurde arm de vork in zijn wang prikken. Half acht, afruimen, koffie zetten. Kwart voor acht, koffie, 'mijn vierde sigaret, de vijfde rook ik voor ik ga slapen.’ De zware geur van Black Beauty trok door de kamer.)
…..
Wij hebben het nu over jou. Vergeet niet, ik ben notaris geweest. Ik maak die dingen altijd af. Wat wil jij worden?'

'Ik weet het niet.'

Hij begreep dat dat geen goed antwoord was, maar het was het enige, zelfs als iemand graag altijd alles afmaakte. Hij had geen flauw idee. Eigenlijk wist hij zeker dat hij nooit iets wou, maar ook nooit iets zóú worden. De wereld was al boordevol met mensen die iets waren, en de meesten waren er duidelijk niet gelukkig mee.
…..


Scheepsjournaal
…..
Dit is geen stad voor één dag., hier moet je blijven en een vreemd verhaal schrijven, over rommelmarkt de Mercado del Puerto, oude instrumenten, vergane grammofoons uit een ander tijdperk, honderden matébekers, orkestjes die tussen de kramen door lopen, grootmoeders laatste glaswerk, een porseleinen hond, een boek met nationale helden, het leven van Bolivar, verstoffing, poeder van vroeger.

…..


Philip en de anderen

…..
Mijn oom Antonin Alexander was een vreemde man. Toen ik hem de eerste keer zag, was ik tien jaar en hij ongeveer zeventig. Hij woonde in een lelijk, ontzaggelijk groot huis in het Gooi, dat volgestopt was met de meest eigenaardige, nutteloze en afschuwelijke meubels. Ik was toen nog erg klein en ik kon nièt bij de bel. Op de deur bonzen of met de brievenbus klepperen, zoals ik anders altijd deed durfde ik hier niet. Ten einde raad ben ik toen maar rond het huis gelopen. Mijn oom Alexander zat in een manke crapaud van verschoten paarse pluche, met drie gelige antimakassars, en hij was inderdaad de vreemdste man die ik ooit gezien had. Aan elke hand droeg hij twee ringen, en pas later, toen ik er na zes jaar voor de tweede keer kwam om er te blijven, kon ik zien dat het goud koper was, en de rode en de groene stenen (ik heb een oom, die draagt robijnen en smaragden) gekleurd glas. ‘Ben jij Philip?’ vroeg hij.

‘Ja oom’, zei ik tegen de figuur in de stoel. Ik zag alleen maar de handen. Zijn hoofd was in de schaduw.

‘Heb je iets voor me meegebracht?’ vroeg de stem weer. Ik had niets meegebracht en ik zei: ‘Ik geloof het niet, oom.’ ‘Je moet toch iets meebrengen.’

Ik denk niet, dat ik dat toen gek vond. Als er iemand kwam, moest hij eigenlijk iets meebrengen. Ik zette mijn koffertje neer en liep terug, de straat op. In de tuin naast die van mijn oom Alexander had ik rhododendrons gezien en ik ging voorzichtig het hek binnen en sneed er met mijn zakmes een paar af.

Voor de tweede keer stond ik voor het terras.

‘Ik heb bloemen voor u meegebracht, oom’ zei ik. Hij stond op en voor het eerst zag ik zijn gezicht.

‘Ik stel dit buitengewoon op prijs,’ zei hij - en hij maakte een kleine buiging. ‘Zullen wij een feest vieren?’

Hij wachtte mijn antwoord niet af en trok mij aan zijn hand mee naar binnen. Ergens deed hij een klein lampje aan, zodat de wonderlijke kamer gelig verlicht werd Die kamer was vol stoelen in het midden - langs de muren stonden drie sofa's vol zachte beige en grijze kussens. Voor de muur, waarin de terrasdeuren gemaakt waren, stond een soort piano, waarvan ik later hoorde dat het een clavecimbel was.

Hij zette me op een sofa en zei: ‘ga maar liggen, neem maar veel kussens.’ Zelf ging hij op een andere sofa liggen, langs de muur tegenover de mijne, en toen kon ik hem niet meer zien, vanwege de hoge ruggen van de stoelen die tussen ons in stonden.

‘Wij moeten dus een feest vieren,’ zei hij. ‘Wat doe je graag?’

Ik las graag en ik keek graag plaatjes, maar dat kun je op een feest niet doen, dacht ik - dus dat zei ik niet. Ik dacht even na en zei: ‘'s avonds laat in een bus rijden, of 's nachts.’

Ik wachtte op een bevestiging, maar die kwam niet.

‘Aan het water zitten,’ zei ik, ‘en in de regen lopen en soms iemand kussen.’

‘Wie,’ vroeg hij - ‘niemand die ik ken,’ zei ik, maar dat was niet waar.

Ik hoorde hoe hij opstond en naar mijn sofa toeliep.

‘Wij gaan een feest vieren,’ zei hij - ‘Wij gaan eerst met de bus naar Loenen, en dan weer terug naar Loosdrecht. Daar gaan we aan het water zitten en misschien drinken we wel iets. Daarna gaan we weer met de bus naar huis. Kom.’

Zo heb ik mijn oom Alexander leren kennen. Hij had een oud, wittig gezicht, waarin alle lijnen naar beneden liepen - een mooie dunne neus en dikke, zwarte wenkbrauwen, als oude rafelige vogels.

…..