Test
Download document

KOOL, Halbo


Tabula Rasa


Mijn vader en ik, twee naamgenoten

Verdwaald in Brussel op een dag

Die donker was en vergeven met regen

Alsof het verleden uitgewist moest worden


Hij werkte daar als vertaler en vroeg de weg,

Uiteraard in het Nederlands, aan een agent

Die ons in het Frans, ook dat sprak vanzelf,

De verkeerde kant uit stuurde


Ik vond mijn weg wel met de jaren

Zijn weg was al sinds jaar en dag wat wazig

Hoe kon dat ook anders

Zo laat nog op zoek, in de verkeerde stad


Wat ik niet geven zou, jaren later, om nog één keer

's Avonds laat in het donker bij slagregen

In de verkeerde stad samen met hem

De verkeerde kant uit te gaan


Longa vita

Ik zou wel graag zo'n nijvre burger wezen

die elke morgen tijdig op moet staan

om gladgeschoren naar kantoor te gaan

en 's avonds naarstiglijk de krant te lezen.

Ik zou dan vast en zeker ook genezen

van mijn maar al te dichterlijke waan

dat ik beminnen moet: een vrouw, de maan,

dat ik moet schrijven en gedichten lezen.

Wat zou het leven zo verleid'lijk zijn

bij een sigaar, een vrouw, in schemerschijn:

zo zou ik zestig jaar wel willen worden.

Maar op mijn tafel staat een glas met wijn,

die onder 't schrijven wel verschraald kan zijn,

- een vers duurt lang! - en bloemen, die verdorden.


De verloren zoon spreekt tot zijn vader

Ik ben een rotte plek in uw geslacht

een nutteloze, schadelijke stee,

het koude vuur van uw late vree:

het is mijn schuld niet als uw mond nog lacht;

Ik heb die rimpels in uw front gebracht,

ik was de lanterfanter die u waken dee,

de dagdief, zwervend met de nachtwind mee,

door iedereen, behalve u, veracht.

Ik heb het zondengamma gans doorlopen.

omdat ik niet in zonden kon geloven,

sinds ik gelovigen zich zag verkopen,

anderen en elkaar het brood ontroven.

Sindsdien brand ik om dit bestaan te slopen,

en keur dit goed, en ben niet meer te doven.


Le poète pur parle

Ik ben een smerig rijmelaar

met roos en vet in 't sluike haar,

die, ongewassen, ongeborsteld,

al zwetend met zijn rijmen worstelt

om, is per slot een vers gelukt,

na 'n haastig middagmaal verrukt,

op alle muzen te gaan klinken

en me een goede roes te drinken,

want zonder muze, zonder rijm,

ben ik een slordig sliertje slijm,

dat om zijn kleinheid te vergeten

zijn heil zoekt in onmatig eten,

in drank en spel en vrijerij,

een kermisklant, zo vogelvrij....