Test
Download document

HEGENSCHEIDT, Alfred


Onmacht

I

Ik weet het niet wat van mij worden moet

Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;

'k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,

Ik heb de adem niet die 't leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen

Van kille leegheid in 't verdord gemoed;

En de aarde kwijnt; met haar gij, 't laatste goed

Waaraan 'k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in de nood,

Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,

En voor de rest, - ik had het ook gedragen, -

Gij hielpt toen goddelijk dit leven schragen;

Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,

Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?


Beethoven (II)

Adagio


Meedogend glijdt een zachte melodie

Rond de aardse dingen, treurend van verlangen,

En schouwt die dingen aan met ogen, die

Vol tranen van een diep meê-lijden hangen.


En nogmaals keert zij zo terug; tot drie

Maal heeft haar deining mild hun leed omvangen;

En zwaar gedragen op hun harmonie,

Komt 't weemoedsvolle lied u 't hart omprangen.


Maar schielijk rijst het op; in licht gebaad

Ontplooit het statig 't etherblauw gewaad,

Waarin de tranen nu als starren gloren.


En 't al aanbidt, gelooft en wil weer hopen,

En komt de moede ziel in u herdopen,

O ideaal, uit leed der aard geboren.