EGGINK, Clara
Spleen in de zon
De zon schijnt op de groene twijgen,
De wind is speels en energiek.
’k Wil hebben wat ik niet kan krijgen
En wat ik heb, dat maakt mij ziek.
Heb ik weer eens verkeerd gekozen
In ’t kleine kansspel van ’t bestaan
Of heb ik weer te veel geplozen
En ’t lief geschenk teloor zien gaan.
’k Ben niet geschikt voor paradijzen,
Ik vraag te veel of nooit genoeg.
Zo levend zal ik vroeg vergrijzen
Door d’ onrust, die mij verder joeg.
Voorgevoel
Als jij er niet meer wezen zal
Zullen mijn handen roerloos rusten
En voor mij liggen, slap en smal,
Ontzet, ontdaan van alle lusten,
Daar jij er niet meer wezen zal.
Als jij er niet meer wezen zal
Zullen mijn ogen stuurloos staren
En doven in der leden val
Ternauwernood een beeld bewaren,
Daar jij er niet meer wezen zal.
Als jij er niet meer wezen zal…
De trage gang zal mij weer vangen
Der dagen, zonder nut en tal,
En niets en niets om te verlangen,
Daar jij er niet meer wezen zal.
Dodenmars
Ik waag mij haast niet in die straat
Waar gloeiend puin in 't donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop
Een schelle vlam schiet suizend op
Belichtend, als in spotternij
de resten van wat huisgerei.
Hier vond wie dagelijks nam en gaf
een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, daad en lust
is even grondig uitgeblust.
Ik wend mij naar de bovenkant
De schepen liggen leeggebrand.
Het water, de eeuwenoude baan
Voert bloed en roet in d'oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug.
Een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
Terwijl uw schim hier langs marcheert
links, rechts . . .
Maar als de stad weer is herbouwd
van staal en glas en steen en hout,
Die kleine wereld is hersteld,
Bolwerk van koopwaar, zee en geld,
Als er gewerkt weer wordt op de as
Van wie voor kort hier werkend was -
Dan zullen nog bij nieuwe maan
Uw schimmen door de straten gaan,
Links, rechts . .
Verloren
Ik lees een boek, ik schrijf een brief,
Ik kom bij jou, wij praten.
Die dingen zijn mij even lief;
Ik kan ze ook wel laten.
Het voorjaar buiten is altijd zoel,
Maar niet dat wilde wonder
Toen ik weg wou gaan, alleen en koel;
Nu kan ik ook wel zonder.
Ik meende aan 't strand te zijn geboren,
Mijn huis te hebben in het duin.
Dat alles is al lang verloren,
Nu voer ik meeuwen in mijn tuin.