GOLTERMAN – VAN DIJK, Cita


Ik ben een stad


Ik ben een stad tegen mijzelf verdeeld ;

De vijand ben ik van evenbeeld ;

De linker hand is ‘t die de wonden slaat,

De rechter, die ze bzlsemt en weer heelt



De dood


Slagschaduw is hij aan mijn rechterhand,

van mijn bestaan de donkre variant,

mijn metgezel op weg naar een gebied

zonder verschiet en zonder achterland.


Dwaalleraars zijn het die in schone dromen

een toevlucht zoeken, een vast onderkomen.

De dood heeft hen noch hebben zij de dood

geaccepteerd of au sérieux genomen.


Springvloed


Wanneer de aanval inzet, niet meer af te remmen,

grijpen haar beide handen om het ledikant,

dat zij daarna zo wild-hartstochtelijk omklemmen,

dat strak haar huid om witte knokkels spant.


Zij weet ontzet, dat zij weer om zich heen zal grijpen,

de oude driften zijn veeltallig opgestaan,

maar nog verweert zij zich, haar vingers knijpen

als tangen en haar lichaam spant zich straffer aan.


Haar adem gaat gejaagd met horten en met stoten,

verwilderd dwalen nu haar ogen heen en weer,

maar nog regeert haar wil en is zij vast besloten

tot harde, onverzettelijke tegenweer.


Maar als de springvloed oorverdovend op komt zetten,

een hoge golf haar opneemt, neersmakt, overspoelt,

laat zij haar handen vrij en kan niet meer beletten,

dat zij verzinkt, daar waar de grond is losgewoeld.


Hollanders


Krentenwegers, zo zijn wij geboren,

platte landers zijn wij plompverloren,

voor verkwisting een benepen angst,

een moraal van eerlijk duurt het langst

en als aangeprezen hoogste goed,

een godvruchtig leven - doodgebloed.


Naamgeving
…..
Je kent mij jaren en je kent mij niet,

al naar je mij vandaag of morgen ziet,

ben ik de ledepop, die je ontbiedt,

de schaduw in je spoor, je satelliet;

tot slot: alleen een naam, die je ontschiet,

dan in jouw taal, word ik ‘dat stuk verdriet’.



Verboden toegang

Ik ken je jaren en ik ken je niet,

een buitenstaander ben ik steeds gebleven,

aan wie je nog geen kiertje toegang biedt

tot je hermetisch afgesloten leven

Hoe ik ook bedel om een enkel woord,

dat mij een ‘vrij entrée» zou geven,

jij hebt het willens/wetens niet gehoord,

nooit is voor mij een vrijkaart uitgeschreven.

In je vergeetboek staat het genoteerd,

hoe lang ik op illusies heb geteerd.



Rondeel


Laten wij borg staan voor elkanders leven,

jij mensenkind hebt deel aan mijn bestaan,

waar jij verworpen bent, neem ik je aan,

ben jij de vraag, ik zal het antwoord geven,

daar waar ik viel, heb jij mij opgeheven

en waar ik wankelde, daar bleef jij staan;

laten wij borg staan voor elkanders leven.

Naar elkaar toe, dan van elkaar vandaan,

zo worden wij steeds heen en weer gedreven,

in wederzijds begrip of misverstaan;

laat ons in hou en trouw dicht samengaan,

want welke zekerheid is ons gebleven

dan dat wij borg staan voor elkanders leven.



De jacht


Van jongs af met antennes uitgerust,

die prompt op elke prikkel reageren,

brand ik van hartstocht, haat, van liefde, lust;

geen God, die deze driften af kan weren.


Geen hand, die nog bijtijds de vlammen blust,

noch een gebaar, dat rebellie kan keren,

geen lied, dat mijn ontwaakte hartstocht sust;

aan gloed van eigen vuur zal ik verteren.


Altijd gehavend door het leven gaan,

nooit buiten schot of onder dekking staan,

als een stuk wild gejaagd en opgedreven.

Een adempauze wordt mij niet gegeven,

vóór, in de rust van een seizoenloos dal,

ook deze jacht een einde nemen zal.