VERHULST, Raf



Sprokkelmaand Lichtmis


De dagen lengen nu een haneschreeuw.


Wat wiebelt daar een jent* en aardig klokje

In ruige kant en tussen gras en sneeuw!

Is dat een bloempje of een sneeuwenvlokje?


Het zwerk is donker, laag en grijs;

Aan gracht en vijver kleeft nog ijs;

Toch wiegelt er een bloemenklokje

Ondanks de sneeuw, die heldre sneeuw,

Min blank dan 't reine bloemenrokje.


De dagen lengen nu een haneschreeuw


* jent = bevallig


Maangezicht


Snel vliegt het zwerk. De koude, maan gesmeed

Uit eeuwig goud, staat pal. De wolken drijven

Haar blinkend rad voorbij, alsof de maneschijve

Tot wagenschot het hechte zwerk versneed.


De maan, gesmeed uit eeuwig goud, staat pal.

En niet alleen die ijdel wolken vliegen

Voorbij, maar àlles zo; en allen tiegen

Wij heen, tot dat er niets meer wezen zal;


Tot gans het ondermaanse zal versterven;

Als vormeloze baaierd dom zal zwerven;

Tot, als een graflamp, 't eeuwig manelicht

Een doodse schijn werpt op het aards gezicht.



Blijde Buien


Klaar de waterstemme schalt!

Zuiver goud is 't en gedegen,

Dat nu uit de wolken valt.

Bruis en spoel, o blijde regen!


Wolken, laat uw sluizen stromen,

Uit uw kolken donkerblauw!

Gutst op velden en op bomen,

Levenwekkend is uw dauw!


Sprenkel, frisse stofverdover!

Was het grijsbestoven lover!

Blus het schrale stuivelmul!

Kneed ons akkers week en gul!


Laat uw felle mammen druipen,

Dat de bomen er van stuipen,

Bij het bruisen van de wind,

Laaf, als moeder laaft haar kind.



Aan de Schelde, op Sint-Ann'


Houtskooltekening voor mijn vriend Alfried van Neste.


Het zwarte zeil schuift langzaam, lijzig, loom,

door 't grijzig avondwaas op grauwe stroom.


Van droeve hemel en met vale vegen,

vlot neer 't gordijn van avondstilte en regen.


Het schaduwbeeld des Torens slinkt en vlucht

gedoezeld weg in smokkeldonk’re lucht.


't Wordt doodser nog nu 't zeil verdwenen is,

geheimnisvol in mist en duisternis.



Zingende Bossen.


Het lover, grijs bedauwd,

Karkietelt, lierelauwt,

En vedelt, orgeltaalt,

En kirt en wielewaalt.


Hier is de zangkapel!

Hier schalt zo hoog en hel

Het klaargebekte gild,

Dat 't bossig deemster trilt.



Kom spoedig, gij die me genezen moet.


Kom spoedig, gij die me genezen moet;

Kom blank, met blij gelaat, met milde mond;

Versterk, verstaal mijn miezer, meeps gemoed,

En maak mijn laf-verwende ziel gezond.


Kom, geef me waardigheid, besef en wil;

'k Ben zwak en onbeholpen als een kind;

En 't is om mij zo ijl, zo grauw, zo kil....

Ik schrei dat ik me zo alléén bevind.


Kom, klooster mij!... Verzeeuwd maakt mij' t geraas

Waarin ik leef, en dat ik niet ontvlucht,

En dek met uwe handjes de open vaas

Der ziel, die weggeurt in de wijde lucht.


Kom, wees me lieflijk en gedoogzaam, als

Zo innig lieflijk wezen kan een vrouw;

Omsnoer, met bei uw armpjes, teer mijn hals

Opdat ik slechts in ùw blik blikken zou.


Schep om mij heen een luwe zomernacht

Vol warme weelde, vol van vro en vree;

Uw oog strale in mijn ziel, zo lief en zacht

Als 't maanlicht op een sluimerende zee.