BEERTEN, Vera Alexander



Voor Cindy


Ze is vannacht niet thuisgekomen.

Ze viel in stukken lang voor zij sprong

En pijn haar tijdloos maakte


Wou ze te zeer, te innig leven,

Zo dicht zichzelf dat ze zich sloot,

Onwillig sloeg al die haar naderde?


Ze is vannacht niet thuisgekomen.

Een engel heeft haar opgetild – Ze ligt nu stil,

En wij, verstild van zoveel sterven, stamelen.



Finestrat


We lagen in ons bed van middagzon

Uit elk verband

Uit elke geschiedenis verbannen.


Vogels vlogen op uit ons verstand

De huid die om ons heen zat, loste.

We vloeiden uit en over elkaar

Werden zee, zwommen zonder handen.


En op het voor ons uitverkoren strand

Stonden engelen op wacht

Met toeters wimpers en bellen.



////////////////////////////////////////////////


Er is geen huis, geen lichaam waarin ik mij bewoon,
Zwerf binnenskamers – sloom – door oude schaduw uitgesleten.
Schim. Alsof ik voor ik was al lang ben doodgegaan,
Geboren naam die mij aan aarde houdt geketend.


Vanuit het raam valt mij het Noorden aan,
Kil tot duidelijk wit bevroren. Ik heb het leven lief
In alles wat het eenzaam laat, ik ontwricht de tijd –
Licht – dat zichtbaar zijn onmogelijk maakt.


Jij twijfelt of ik zo wel kan bestaan.
Alleen, door niemand uitverkoren.
De zon heeft mijn verdriet verloren,
Laat mij nu, laat mij maar langzaam gaan.