PEEL, Adriaan



Psalm


Dit is het lied dat ik zong toen

ik boven een berg lag te dromen.

Er hing een stem van macht en

verre muziek tussen het stemmend loof der bomen

en omdat ik een blauwe adem

was die hing in hoornen hertgewei,

en omdat ik van vele honderd

speren een wonde droeg gonzend in mijn zij,

luisterde ik, zoals naar de zee

het zand der duinen blijft luisteren.

Het zand der zee hoorde uw lied,

o God, en aan de daken ging het fluisteren.

En de daken namen de stem

van u op, en droegen uw tij naar het land

waarin mijn oog, bloem naast de rots,

wolkig grijs en geel diamant,

naast mijn hoofd, ivoren schaakbord,

naar het wiegen der tulpen bleef kijken;

naar het sterven der sterren bleef kijken.

Op de bron van eenvoudig water wil gelijken

mijn mond, op de lucht die de vlakte

streelt, met haar bogen en haar keel;

- ach, smekend smekend snarenspel

dat ik in een vrouwenlichaam dromend streel,

ach, lichaam van een vrouwenziel

met haar traan van nachtelijke gitaren,

hoe komt de wind van ’t noorden

in uw blauwgroene rode glimlach tot bedaren.



Het verleden voorbij.


O, Wereld waartoe ik niet behoor,

O, Lucht die niet voor mij is,

Vreemd voedsel dat mij pijnigt,

Waarom toch ben ik in U geboren

Om als onbegrepen rond te zwerven

Als onbekende vogel zonder nest.


Mijn hand is niet van mij,

Mijn been is niet van mij,

En wat rest er me dan

Dan de uitdrukking van mijn ver verdriet

En mijn blauwige wolken

En mijn verre droomgezichten?


Zo dan moet ik dwalen

Nadat de laatste gids mij heeft verlaten

Omdat ook hem het land te wreed scheen.

Mijn hoofd rust nu op de stenen,

Mijn lichte ogen zijn gestorven

En heengegaan is mijn ziel, rusteloos...