GERRITSEN, Liselore
Laat de kindertjes
Op het bospad op de hei
Tussen de dotters in de wei
Overal kwam mijn kinderjezus
In zijn witte jurk voorbij
Z'n glimlach achter beslagen ramen
Ik wreef ze schoon om beter te zien
Of hij me wel van gist'ren herkende
Van bij de berkenboom misschien
Want laat de kindertjes tot mij komen
Zei de wind in de berkenbomen
En verhinder ze niet om te komen
Want hunner is het rijk
Op het bospad op de hei
Tussen de dotters in de wei
Overal kon ik hem tegenkomen
Overal kwam hij voorbij
In doorzichtig herfstige nevels
Zijn armen open, eindeloos wijd
En de zonnestraal die ik ving in mijn ogen
Was zijn blik op mijn kindertijd
Want laat de kindertjes tot mij komen
Zei de storm in de kale bomen
En verhinder ze niet om te komen
Want hunner is het rijk
Ik bracht hem mijn poppen zonder armen
Bracht hem mijn drift en mijn pijn
Bracht hem mijn angstige kinderdromen
En mijn zieke konijn
En liep ik over verse sneeuw
In het licht van de maan
Zag ik aan het zilveren paadje
Dat hij alvast vooruit was gegaan
Want laat de kindertjes tot mij komen
Zong de wind in de winterbomen
En verhinder ze niet om te komen
Want hunner is het rijk
Sindsdien is vooral veranderd
Dat ik geen klein kind meer ben
Hoewel ik er niet goed aan kan wennen
Dat ik hem nergens meer herken
Want de kinderen die buiten spelen
Ze kijken me vaak verwonderd aan
Ze kijken alsof ik de enige ben
Die hem niet voorbij ziet gaan
Laat de kindertjes tot mij komen
Het waren misschien wel kinderdromen
Maar verhinder de kinderen niet om te dromen
Want hunner is het rijk
Anna
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna, die kon van mijn haar mooie vlechten maken
Die links en rechts en zonder angst in de wereld staken
Ze heeft mijn jurken stijf gesteven
Heeft mijn knieën schoon geboend
Kouwe handen warm gewreven
Blauwe plekken weg gezoend
Met Anna, op mijn kleine klompen, hand in hand op pad
Nooit meer bang voor boze wolven
Omdat ik Anna had.
Anna, toe, vertel nog wat
Anna, ga niet weg
Anna, als ik jou niet had
En als ik je nou zeg
Dat daarachter in de hoek
Vlak bij het gordijn
In het donker altijd iets beweegt
Waarvoor ik bang moet zijn
Anna, leg je dikke armen om mijn kinderlijf
Anna, toe, vertel nog wat
Toe nou Anna, blijf.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Wat Anna's boerenblauwe ogen in het donker zagen
Dat waren de verhalen waar kinderen om vragen
Waar ze zoet door slapen gaan
Waardoor het spook verdwijnt
De engelen op wacht gaan staan
Totdat de zon weer schijnt
't Was Anna's boerenbonte liefde waar het hem in zat
Nooit meer bang voor boze wolven
Omdat ik Anna had.
Anna, die is weggegaan
Op een dag in mei
Met Gerrit Harmsen meegegaan
En het hielp niet of ik zei
Dat daarachter in de hoek
Vlak bij het gordijn
In het donker altijd iets bewoog
Waarvoor ik bang moest zijn
En ik weet het zeker, Anna, dat spook daarachter bij 't gordijn
Heeft jarenlang z'n kans afwachtend
Gerrit Harmsen moeten zijn.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna trouwde Gerrit Harmsen op een warme zomerdag
En ik moest kleine bloemen strooien en dacht
Dat iedereen het zag
Hoe ik ze alleen liet vallen
Met handenvol aan Anna's kant
Op een pad van kleine bloemen
Verdween ze uit mijn kinderland
En Gerrit, stijf gearmd met Anna, plechtig door het middenpad
Was nooit meer bang voor boze wolven
Omdat hij Anna had.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna, die kon van mijn haar mooie vlechten maken
Die links en rechts en zonder angst in de wereld staken
Anna...
Korrels zand
We zijn gewoon wat korrels zand
Op een toevallig strand
Want zelfs niet jouw hand heeft de kracht
Me vast te houden in de nacht
Dat ik alleen zal moeten doodgaan
Nee, m'n liefje
We zijn gewoon wat korrels zand
Op een toevallig strand
Maar ook niet mijn hart heeft de moed
Van je te houen en het goed te vinden
Dat we uit elkaar gaan
Nee, m'n liefje
Maar als we ouder zijn
Zal het vertrouwder zijn
Dat we leren om te leven met het afscheid
Als we ouder zijn
Zal het vertrouwder zijn
Dat we leren om te leven met het afscheid
Ja, m'n liefje
En gewoon wat korrels zand
Op een toevallig strand te zijn
Van je te houen
Zonder je te willen houden
In die nacht dat je alleen zult moeten doorgaan
Als het stormt
Dichterbij mij
Als het stormt
Dichterbij mij
Als alles beweegt
Als alles vervormt
Als ik niets meer herken
Niet meer weet waar ik ben
Moet jij dichterbij zijn
Dichterbij mij zijn
Want alles vervormt
Als het stormt
Ook jij.
Wat moet ik met die grote man waar kinderen van houwen
Waar je als een boom in klimmen kan en tegenaan kan douwen
Wat moet ik met die grote man die niet van mij zal wijken
Maar die geen storm bedwingen kan
Die niet op mij wil lijken
Als het stormt
Die naar me staat te kijken
Als het stormt.
Wat moet ik met die grote man die zegt: " 't Is zo voorbij"
Dat storm toch niks verand'ren kan tussen hem en mij
Wat moet ik met die grote man die wel niet weg zal gaan
Maar die mij niet bereiken kan
Die ik niet kan verstaan
Als het stormt
Die met me is begaan
Als het stormt.
Kom dichterbij
Dichterbij mij
Als het stormt
Dichterbij mij
Want jij bent het wel
Die bij me is
Maar jij bent het ook
Die ik altijd mis
Wat toch wel de reden is
Dat het stormt.
Als De Nacht Voorbij Is
Eigenlijk kan ik pas gaan slapen als de nacht voorbij is
Als de stad, waarin ik leef, van zwarte schaduw vrij is
De dag heeft een open kindergezicht
Waanzinnig hoopvol is het licht
En ongekend de overmoed
Die zich een weg baant door mijn bloed
Ik voel mij onuitsprekelijk goed als de nacht voorbij is
En de stad waarin ik leef toch niet meer van mij is.
Eigenlijk kan ik pas gaan slapen in de allervroegste morgen
Als de stad waarin ik leef niet meer is verborgen
Kan ik rustig ademhalen
En bij de eerste zonnestralen
Tussen twee laatste slokken door
Gaapt ook God van oor tot oor
Want het leven gaat gewoon weer door als de nacht voorbij is
En de stad waarin ik leef van zwarte schaduw vrij is.
En als ik, zoals iedereen, op een goeie dag zal doodgaan
Hoop ik dat dat is op het uur dat de andere mensen opstaan
Ik doe zoals altijd m'n ogen dicht
In het allervroegste morgenlicht
En met mijn mooiste kleren aan
Ga ik van mijn stad vandaan
Ik zal mijn langste nacht in gaan als de nacht voorbij is
En het leven dat ik heb ineens niet meer van mij is.
Sta even stil
Sta even stil
Draai je niet om
En kijk ook niet vooruit
Tel de seconden
Niet de uren
Adem in en uit
Sta even stil
En leg je armen
Langs je eigen lijf
Voel je voeten
Op de aarde
Want dit is je verblijf
Sta even stil
En weet het weer
Leg het nooit iemand uit
Aan liefde
Is niets uit te leggen
Adem haar in en uit
Als ze als kind
Als ze als kind niet altijd zo stil had hoeven zijn
Had ze vandaag misschien het hoogste lied gezongen
Als ze als kind niet altijd zo alleen was geweest
Had ze vandaag misschien allang iemand gevonden
Als ze als kind niet altijd zo bang had hoeven zijn
Had ze vandaag misschien van iemand durven houden
Als ze als kind niet altijd zo'n puinhoop had gezien
Had ze vandaag misschien kastelen kunnen bouwen
Als ze als kind de warmte van de zomer had gekend
Was ze die warmte in haar winter nooit verloren
Als ze als kind de warmte van een nest had gekend
Had het haar hele leven lang niet zo gevroren
Als ze als kind niet al zo oud had hoeven zijn
Had ze vandaag nog een kinderlied gezongen
Als ze als kind gewoon een kind had kunnen zijn
Was ze vandaag als een kind opnieuw begonnen
Wie
wie heeft de zon uit je gezicht gehaald
wie heeft het licht in jou gedoofd
wie heeft je rooie wangen bleek gemaakt
wie joeg de dromen uit je hoofd
wie brak jouw kleine hart
kleurde je ogen zwart
wie is niet nagekomen wat hij heeft beloofd
wie heeft het lachen in je keel gesmoord
heeft je vuisten zo gebald
wie heeft dat onbevangen kind vermoord
dat altijd opstaat als het valt
wie boog jouw rechte rug
trapte je speelgoed stuk
wie brak je vleugels in de vreugde van hun vlucht
wie is er zo aan jou voorbijgegaan
wie verraadt hier jouw geloof
wie houdt zich voor het kraaien van de haan
na de derde keer nog doof
wie is het die vergat
dat jij de toekomst had
wie heeft jou net als ik te weinig lief gehad
Ze zijn zo stilletjes vertrokken
Haast ongemerkt zijn ze gegaan
Zodat het eigenlijk gewoon is
Dat als je vraagt hoe 't met ze gaat
Je niet opkijkt als ze zeggen
Tussen neus en lippen door
Die is gisteren gestorven
Had daar ook de leeftijd voor
Afscheid
…..
Dat slaat met de deuren in 't holst van de nacht
Schopt tegen je schenen met al z'n kracht
Dat zeurt, dat jengelt, dat treitert, dat krabt
Dat krijst, dat jankt, dat vloekt en dat trapt
Dat laat zich niet sussen, niet kussen, niet dwingen
Niet pakken, niet slijmen en helemaal niet verdringen
Dat knaagt zich een weg door het merg van je dromen
Tot je het eindelijk hebt genomen
…..
De nacht
De nacht is nog niet helemaal voorbij
Z'n schaduw nog op jou en mij
De horizon voorspelt de dag
Die blauw en zacht
Maar onverbidd'lijk op ons afkomt na de nacht
Zo onverwacht is deze nacht voorbij
De morgen vraagt aan ons of wij
Vandaag nog samen zullen zijn
Of zo een liefde die in 't donker bloeit
Bij daglicht sterft of verder groeit
De nacht is nog niet helemaal voorbij
Z'n mantel nog om jou en mij
Maar straks komt het er toch op aan
Of zo een liefde die in 't donker bloeit
Het felle zonlicht kan doorstaan
Ze zijn zo stilletjes vertrokken
Ze zijn zo stilletjes vertrokken
Vanuit dat laatste kopje thee
Een plus een, het werd nooit twee
Vanuit die laatste stap voor stappen
Als de eerste stappen van een kind
Zijn ze stilletjes vertrokken
Als een zuchtje van de wind
Ze zullen zachtjes bij je weggaan
Zij, die jou baren straffen voeden
Die in hun hart jouw leven koest'ren
En elke stap die jij verzet ervaren als hun eigen stap
Ze zullen zachtjes bij je weggaan
Haast ongemerkt weg uit dit leven
En zullen voor de tweede keer
Aan jou, die nu door niemand meer een kind genoemd wordt
Leven geven
Ze zullen zachtjes bij je weggaan
Als een zuchtje van de wind
En aan hun hand zal met hun meegaan
Het met hun gestorven kind
Dat jij was...
De klokken van Kockengen
Je bracht me naar de polder, naar de wolken, de zon
Naar de dotters en de reigers
En ik keerde niet om
En de westenwind blies
Over winst en verlies
Blies de tranen in m'n ogen
Om ze daarna weer te drogen
Bracht de klokken van Kockengen in beweging voor jou
En de kikkers van Portengen kwaakten voor jou
En het riet boog zich neer in wind en in weer
In een buiging, in een buiging voor jou
Je bracht me naar de polder, naar de eenden, het gras
Naar de lelies en de vissen
En ik wist waar ik was
En de westenwind blies
Over winst en verlies
Blies me in je open armen
Om me daar weer te verwarmen
Bracht de klokken van Kockengen in beweging voor jou
En de kikkers van Portengen kwaakten voor jou
En het riet boog zich neer in wind en in weer
In een buiging, in een buiging voor jou
Je vond een plek voor ons twee tussen vroeger en later
Waar de avondzon rood is in het donkere water
Een zwaluw stijgt op en de wind legt zich neer
En al regent het morgen, het is morgen mooi weer
Want zolang de klokken van Kockengen luiden voor jou
En de kikkers van Portengen kwaken voor jou
Het riet zich voor je neerbuigt in wind en in weer
Hoef ik niets meer, hoef ik niets meer, niets
Anna
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna, die kon van mijn haar mooie vlechten maken
Die links en rechts en zonder angst in de wereld staken
Ze heeft mijn jurken stijf gesteven
Heeft mijn knieën schoon geboend
Kouwe handen warm gewreven
Blauwe plekken weg gezoend
Met Anna, op mijn kleine klompen, hand in hand op pad
Nooit meer bang voor boze wolven
Omdat ik Anna had.
Anna, toe, vertel nog wat
Anna, ga niet weg
Anna, als ik jou niet had
En als ik je nou zeg
Dat daarachter in de hoek
Vlak bij het gordijn
In het donker altijd iets beweegt
Waarvoor ik bang moet zijn
Anna, leg je dikke armen om mijn kinderlijf
Anna, toe, vertel nog wat
Toe nou Anna, blijf.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Wat Anna's boerenblauwe ogen in het donker zagen
Dat waren de verhalen waar kinderen om vragen
Waar ze zoet door slapen gaan
Waardoor het spook verdwijnt
De engelen op wacht gaan staan
Totdat de zon weer schijnt
't Was Anna's boerenbonte liefde waar het hem in zat
Nooit meer bang voor boze wolven
Omdat ik Anna had.
Anna, die is weggegaan
Op een dag in mei
Met Gerrit Harmsen meegegaan
En het hielp niet of ik zei
Dat daarachter in de hoek
Vlak bij het gordijn
In het donker altijd iets bewoog
Waarvoor ik bang moest zijn
En ik weet het zeker, Anna, dat spook daarachter bij 't gordijn
Heeft jarenlang z'n kans afwachtend
Gerrit Harmsen moeten zijn.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna trouwde Gerrit Harmsen op een warme zomerdag
En ik moest kleine bloemen strooien en dacht
Dat iedereen het zag
Hoe ik ze alleen liet vallen
Met handenvol aan Anna's kant
Op een pad van kleine bloemen
Verdween ze uit mijn kinderland
En Gerrit, stijf gearmd met Anna, plechtig door het middenpad
Was nooit meer bang voor boze wolven
Omdat hij Anna had.
Anna lachte bloemen uit de grond
Anna, die zong vlinders uit haar mond
Anna, die kon van mijn haar mooie vlechten maken
Die links en rechts en zonder angst in de wereld staken
Anna...
Oktoberkind
oktobermaand, geboortemaand, je vruchten zijn geoogst
de zoete wijn is in het vat, het hout gekloofd
dat is waarom een oktoberkind van kinds af aan voldaan is
omdat voor zijn gevoel het werk gedaan is
oktoberzon, geboortezon, de zon die ik verdien
want of hij op- of ondergaat is niet te zien
dat is waarom een oktoberkind net als oktoberbomen
de hele dag het liefste zit te dromen
oktoberstorm, geboortestorm, je hebt mijn bed gespreid
je joeg de wolken uit elkaar en net op tijd
heb jij de bomen zo geschud, dat zij hun blad verloren
en in dat gouden bed ben ik geboren
oktoberdag, geboortedag, als ik geweten had
dat ik nooit meer zo goed slapen zou als in dat bed van blad
was ik vanaf die eerste dag m'n hele lange leven
met een glas rooie wijn in bed gebleven
oktoberkind, oktoberkind, opdat jij niet vergeet
de allerlaatste zoete braam is de eerste die jij eet
een laatste warme zonnestraal verwarmt jouw eerste dag
en een laatste zwaluw die vertrekt is de eerste die jij zag
dat is waarom een oktoberkind niet gelooft in laatste dingen
't zal een herfstdag als een lentedag bezingen