Test
Download document

RESINK, G.J.


Zeegodin


Hier deint de oceaan, waarin ik mee kan voelen

omdat daarin een vrouw, als in een ieder leeft:

verzwolgen lief, wier beeld door mijn diepzeeën beeft,

waaraan ik mij, als hier, in brandingen kan koelen


Zij mint wat als rivier of als vulkaan zich geeft;

zij is het kind, het dier, dat onderstrooms blijft woelen;

zij is de eenzaamheid, waarmee ik samenleef,

het springtij van mijn dood, waarin ik weg zal spoelen.


Met weemoed denk ik hier aan de verwaaide weelde

der zilte puberteit: dat heerlijk pootje baaien

van nog op strand maar toch al in beweging staan,

dat naar de vrouw toe lokt of naar haar liefste beelden

en naar de maan kan helpen gaan of naar de haaien,


tot moeder roept toch niet te ver in zee te gaan.


Djangir *

Zij dansen. Duizend dromen in één nacht.

De dromen van een licht bewogen leven:

Hoe men lief kan hebben; hoe men best zacht

Mag zijn, maar niet half-zacht; hoe men zich geven

Moet, maar nooit helemaal; hoe men wel beven

Kan van ontroering, doch, op vorm bedacht,

De hartstocht door een gouden huid moet zeven

Tot zweetglans, oogopslag en pradadracht.

Nu zullen dit voor mij wel dromen blijven.

Maar hier neemt één idee in vele lijven

Gestalten aan en winnen alle zinnen

Het van de zuiverste gedachtengangen:

Hier laat, in duizend dansposen gevangen,

De schoonheid zich bloot lijfelijk beminnen.

* Djangir: Dans uit Bali


Avonden

Over de heupen der grasheuvels vlijen

de avonden zich stil in de valleien

langs varens en water tussen de dijen

der dalen, zich languit rekkend in rijen

van de borsten der bergen tot de veie

voeteneinden in zee, transpirerend

van de meteorieten.


Versklaar

Als krabbesporen op het strand,

als vogeltrekken door de luchten,

als vissenkringen in het water,

als verste vonken van elk vuur

zo moeten ook gedichten zijn:

voortvluchtig in hun element


Hoogvlakte


Dit land leeft uit de diepten van een krater,

waarvan de top een nacht de lucht in ging

en niets meer naliet aan herinnering

dan grote keien, zwavelhoudend water,

de steile kammen van een bergenkring

en nog wat vuur, dat op het licht geklater

van water, dat uit warme bronnen zingt,

dit vers laat rijmen, eeuwen, eeuwen later.


Leprozerie Bugbug

De onderwereld vreet met ziekte en zee

aan mens en kuststreek. Waar de schuimrand brandt

rochelt uit rollers langs het keienstrand

haar doodsroep; stompjes rots rotten gedwee

weg, haar diepeten in, en geen prauw kiest zee

naar blauwe hemels of een beter land.
Niets sterft, maar alles neigt in groots verband

met rots en rolsteen naar de afgrond mee.

Ons leven is het leven van leprozen,

die nooit de vlerkprauw van de droom verkozen

boven het hokken aan de hellerand.

Eerst als de nacht valt worden mens en land,

zee, geestenrijk en godenhemel één:

de Melkweg ruist om de melaatsen heen.