FABIAS, Radna


de zee is blauw en de zee omarmt mij

maar iemand heeft spasmes

iemand hallucineert een rondborstige godin in camouflagekleding

iemand hoort stemmen

iemand drinkt champagne en tranen

iemand treurt om een oliebol en een lied van ramses shaffy

iemand haalt zijn neus op en stort zich op poedersuiker

iemand valt in het water in een diepe slaap


Handoplegging

weer is het heet

zuster rita heeft het geprobeerd, maar het wil maar niet afkoelen

(de airco blaast lauwe lucht naar de verhitte vrouwen)

de kerk is de wachtkamer van de hemel

dat belooft veel goeds

de dame voor me draagt een hoed met een veertje

(onder haar hoed draagt ze een pruik)

de Heilige Geest heeft haar zojuist aan het vallen gebracht

(de hoed is van haar hoofd gegleden)

ik houd mijn ogen op de pruik

(ligt nu voor het podium, spreekt in tongen)


de gevallen dame rilt alsof de winter hier bestaat

ze schokt

(porno voor godvrezende vrouwen)

alle bronstige weduwen oude vrijsters gediscontinueerde bruiden

liggen nu naast elkaar op de eerste rij

(hun pruiken hun hoeden)

twee paar gebutste eierstokken draperen dekens over de onderlichamen van

de dames en hun tranen

(ze schokken hijgen kronkelen een enkeling schreeuwt)

broeder george is met zijn hand langs de gloeiende lichaamsdelen van

minstens drie vrouwen gegleden

(maar we eren alleen de kerk die hij bouwde)

in de wachtkamer van de hemel houden we onze benen stevig tegen elkaar

aan gedrukt

(ik ook, Vader, ik ook)

niemand verliest zich in de kruizen van alle mannen die hier ooit preekten

(ik al helemaal niet, Heer, zeker niet)

broeder george haalt zijn kruis uit zijn broek en het is heilig want Jezus

had er ook één en Hij droeg het waardig


gieser wildeman


gieser wildeman is een stoofpeer

ik ben een vrouw

dat is het dak van een drie eeuwen oud huis

ik ben een vrouw

dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik

ben helaas het vocht en de perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit

want ik ben een vrouw en dat is het brilmontuur van een man van gemiddelde

intelligentie, maar ik ben een vrouw en in mijzelf genoeg

er is geen leegte in mij

er is wel een schuilplaats een voorkamer een wachtruimte een plek

waar ik iemand kan ontvangen:

een man

het begin van een kind

de vingers van een vrouw

toch heb ik aan mezelf genoeg het maakt niet uit

hoeveel postmoderne gendertheorie ik aan mijn heupen hang het is aan mij te

zien: ik ben een vrouw ik zou kunnen bestaan naast een man maar een man is

geen lichaam

een man is geen brommende bastonen geen lage stem dikke armen stroeve

vingers dikke huid geen baard een man is geen baard een man is ook geen

vagevuur een man is geen lot

een man is geen huis om in te wonen een man is geen bed om op te liggen een

man is geen werkverschaffing een man is geen afleiding een man is geen

arbeidstherapie een man is geen raspaard een man is meer dan aanbiddende

ogen in een gestolen nacht een man is geen kofferbak geen zwaailicht een man is

geen diepe buiging voor mijn kruis een man

heeft ook gevoelens

denkt ook na

heeft ook pijn

soms weet hij zelfs waarom hij pijn heeft

een man is

geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek

een man is geen wapen geen hobby


een man is geen hobby

een man is geen hobby

een man is geen hobby


een man is geen strafregel

een man is geen troon om met gekruiste benen op te zitten als een dame

ik ben geen dame

ik ben een vrouw