Test
Download document

RODENBACH, Albrecht


De trommel slaat

De trommel slaat, de fluite gaat,

de wind ontvouwt de vane

en flink op stap, de knapenschap

komt zingend langs de bane!

Hoezee ! Hoezee ! Hoezee ! Hoezee !

en : “Vliegt de Blauwvoet ?

Vliegt de Blauwvoet ?

Storm op zee !”

Ei ! ruimt de baan, alwaar wij gaan,

wij, zonen van de helden

die hielden vrij van slavernij

hun veie Vlaamse velden.

Hoezee ! Hoezee ! …

Zijt welgezind, die Vlaandren mint:

de toekomst hoort ons, knapen!

Wij ook, wij gaan de vijand slaan

en gulden sporen rapen.

Hoezee ! Hoezee ! …

De trommel slaat, de fluite gaat,

de wind ontvouwt de vane

en in 't verschiet nog dreunt het lied

der knapen langs de bane.

Hoezee ! Hoezee ! …


De blauwvoet

Nu het lied der Vlaamse zonen,
Nu een dreunend kerelslied,
Dat in wilde noordertonen
Uit het diepste ons herten schiet.

Ei! het lied der Vlaamse zonen,

Met zijn wilde noordertonen,

Met het oude Vlaams Hoezee.

Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!

't Wierd gezeid dat Vlaandren groot was,
Groot scheen in der tijden wolk,
Maar dat Vlaanderland nu dood was,
En het vrije kerelsvolk.

Maar dan klonk een stemme krachtig
Over 't oude noordzeestrand
En het stormde groots en machtig,
In dat dode Vlaanderland.

En hier staan wij, 't hoofd omhoge,
Vuisten siddrend, kokend bloed;
Vlam in 't herte, vlam in de oge,
En ons naam ons trillen doet!

Van de blonde noordse stranden,
Dwang en buigen ongewend,
Onze vaders herwaarts landden,
Leden, streden, ongetemd.

Ja wij zijn der Vlamen zonen,
Sterk van lijve, sterk van ziel,
En wij zou'n nog kunnen tonen,
Hoe de klauw der Klauwaerts viel.

Op ons vane vliegt de Blauwvoet,
Die voorspelt het zeegedruis,
En de Leeuw er met zijn klauw hoedt
't Lieve dierbaar Christi kruis.

Weg de bastaards, weg de lauwaards.
Ons behoort het noordzeestrand,
Ons de kerels, ons de Klauwaards,
Leve God en Vlaanderland!


ABYSSUS ABYSSUM INVOCAT

O Jongling, zie rond u de wereld strekken,

zo kleurig in het kwikkend zonnelicht,

zo geurig in de frisse morgenwind.

Voel 't vruchtbaar leven in haar gronden woelen,

en, rustloos stijgend, heen end weder striemen,

door veie grond en eik en wiegend gras.

Bezie het immer reizend water stromen

en vlieten, storten, klatren, golven, dampen.

Aanhoor van onder 't loof de vogelreien,

bezie ze stijgend door de blauwe lucht.

Bezie die hemel, die onmeetbaarheid,

en raad de werelden die ginderboven

in eeuwige orde door elkander ijlen.

Bezie hoe dag en nacht elkaar vervolgen,

en bloedig, ginds en ginds, elkaar bevechten,

daar wijd op aarde en lucht de bloedstraal speerst.

Bezie dat levend wonderbaar Heelal,

bevroed de afgrond die ginds hoge strekt,

bevroed de afgrond die uw voeten terten,

en naar de afgrond dan zal de afgrond roepen,

en wondre stemmen zult gij in u horen

van uit de afgrond die gij in u draagt,

van uit die afgrond waar een leven waagt

o duizend malen woeliger en wilder!

Daar hoge vliegen werelden voorbij,

daar lege ruisen heimelijke krachten,

maar in die ziele leven krachten sterker

en wilder dan die temme dommekracht.

Daar stijgt en breekt de zee der lijdenschap

en huilt in toorn en stort verzuchtend weder.

Daar rept de vleugels 't rusteloos gedacht

en stijgt nog hoger dan die sterren ijlen,

en pegelt dieper dan die krachten werken,

daar hem gedurig als een diepe wonde sert

het ingeboren heimwee naar de Afgrond,

het brandend langen naar het eeuwig Wezen,

de ongenoemden, onbegrepen -- Hem,

Hij schiep de afgrond waar de sterren ijlen,

Hij schiep de zieren en Hij schiep 't Heelal,

Hij schiep de afgrond dezer wilde ziele.

En daarom leeft in haar dat eeuwig langen,

en stuwt het rustloos hare krachten op,

dat zij, onstuimig steeds en tegenstrijdig,

in hunne afgrond woelen lijk de zee

die wringt en huilt door wilde wind gezweept.

O lijdenschap! O ongetemde krachten

!

Vrede


t Was winter en 't wierd avond. In de kerk was 't donker nacht.
Een broeder, de lanteern in hand, ging sluiten, als hem dacht,
met hoofd en lijf geleund lijk een die doodmoe is van reizen,
een spilde mansgestalte langs een pijler te zien rijzen.
Hij deed zijn sleutels ruttelen en hij rammelde aan de poort.
Doch roerloos bleef het staan alsof het niets en had gehoord,
gelijk een dode of wel een spook. Zeer bang en zeer godvruchtig,
sloeg de arme broer een kruis drij vier, besproeide zich geduchtig,
met water uit 't gewijde vat, en stapte toe. Het licht
verschrok de dove. Hij keek op, en toonde een aangezicht

zo mager als de Honger, als het Lijden zo getrokken,
en toch zo onverklaarbaar schoon met zijne grijze lokken,
dat men er van bewondering wel bij gekregen had
zo prachtig, lijk een vlamme door een oud albasten vat,
doorstraalde die verstorvenheid de meesterschap der rede.
'Mijn broeder, wat begeert gij?' vroeg de lekenbroeder. 'Vrede!'
verzuchtte diep die vreemde man, en leunde op de pilaar.
Gauw vezelde de broer de lijst der 'beste paters,' maar,
alsof een pletterende overmacht hem langs die pijler plantte,
stond hij die vrede zocht daar doof en stom. Zijn naam was Dante .


Klokke Roeland

Boven Gent rijst eenzaam en grijs

't Oud Belfort , zinbeeld van 't verleden.

Somber en groots, steeds stom en doods

Treurt de oude Reus op 't Gent van heden.

Maar soms hij rilt en eensklaps gilt

Zijn bronzen stemme door de stede.

Trilt in uw graf, trilt Gentse helden,

Gij Jan Hyoens , gij Artevelden .

Mijn naam is Roeland , 'k kleppe brand

En luide storm in Vlaanderland!

Een bont verschiet schept 't bronzen lied

Prachtig weer tov'rend mij voor de ogen

Mijn ziel erkent het oude Gent

't Volk komt gewapend toegevlogen.

't Land is in nood, "vrijheid of dood"

De gilden komen aangetogen.

'k Zie Jan Hyoens, 'k zie d' Artevelden

En stormend roept Roeland de helden.

Mijn naam is Roeland, 'k kleppe brand

En luide storm in Vlaanderland!

O heldentolk, o reuzenvolk

O pracht en macht van vroeger dagen!

O bronzen lied, 'k wete uw bedied

En ik versta 't verwijtend klagen.

Doch wees getroost, zie 't oosten bloost

En Vlaand'rens zonne gaat aan 't dagen.

Vlaanderen de Leeuw! Tril, oude toren

En paar uw lied met onze koren.

Zing: ik ben Roeland, 'k kleppe brand

Luide triomf in Vlaanderland!


Fierheid


Sinds lang bevocht de grave Gent de vrije stede,

en grave en Gentenaars verlangden naar de vrede;

men staakte moord en brand, en op een zeekren dag,

ter vrije vreê gereed en eerelijk verdrag,

reên Gentenaars, gemanteld en in 't goud geregen,

den hertog-graaf Filip aldoor de velden tegen.

't Klaroen schelt in de verte en Gents gezanten staan.

Te midden stuivend stof naârt statig langs de baan

de trotsche grave en rond hem, prachtig om te aanschouwen,

de bonte stoet der heeren en der eedle vrouwen.

De Gentsche poorters, fier en hunner stede weerd,

begroetten heusch den stoet, maar bleven op hun peerd.

En prachtig reed de schare binnen Doorniks wallen,

en spreidde bont en weemlend door de wijde hallen

rondom den gouden zetel waar met trotschen zin

ging tronen d'hertog met der lieve gemalin.

De Gentsche poorters kwamen, en een hunner zeide,

daar hij, met hoofschen groet, een handschrift openleide:

"Heer grave, vrouw gravin, u groet uw goede steê,

en biedt u, zoo 't u mag gelieven, deze vreê,"

en las het pergament. De grave in korte rede

zei alles was hem wel en dat hij schonk de vrede.

"Maar," voegde hij er bij, "daar ge ongehoorzaam en

weêrspannig zijt geweest mij die uw heere ben,

zoo zult gij knielen om de vrede die 'k belove."

Die grave was een waal gekweekt ten franschen hove.

De Gentenaars en roerden niet, en eenen stond

was alles stille en zweeg verwachtend in het rond.

"Heer graaf," zei een gezant, "geen een van ons wil knielen."

Filip, vrij spreken ongewend en vrije zielen,

schoot uit en riep: "Dan krijgt gij mijne vrede ook niet!"

Zijn vlaamsche gemalin een zucht ontsnappen liet

en keek, half wondrend, half bedrukt, naar de gezanten.

De hovelingen wezen hun van alle kanten

dat zij op staanden voet den knieval zouden doen:

want d'hertog beefde er bij. Maar kalm, gerust en koen,

de Gentsche poorters spraken hem in korte rede:

"Heer grave, geef bescheid! Wat melden wij der stede?"

De hovelingen mordden grimmig: "Ongehoord."

De hertoginne keek bedrukt en sprak geen woord.

Filip schoot woedend uit, verweet den Gentenaren,

al wat men in Parijs van Vlaandren wist te maren,

verweet hun hooveerdij en wederspannigheid,

maar bovenal dier ijzren koppen koppigheid,

en: "Laat ons proeven wie van ons zal koppigst blijven,"

riep hij, "of neen, hoe ver ge uw koppigheid zult drijven!

Den knieval of den oorlog onverbiddelijk!

-- 't Waar':" knieval of de dood, "ons antwoord bleef gelijk."

Het antwoord hong ter lip, maar de eedle gravenede

zeeg bij Filip ten gronde en zuchtte smeekend: "Vrede."

Filip keek neder en het zoete wezen zag

dat smeekend, bijna weenend, hem te voete lag,

en voelde liefde en woede worstlen in zijn ziele.

"Sta op," sprak hij bewogen, maar zijne oogen vielen

op 't kalm gelaat der Gentsche poorters daar voor hem.

en schoten schichten. Maar weêr bevend klonk de stem

der lieve teedre vrouw die zuchtte en smeekte: "Vrede!"

Filip en kon niet meer. "O trotsche trotsche stede."

sprak hij, "gaat aan, en dankt uw vreê mijn gemalin."

En groetend hoofsch hun grave en dankbaar hun gravin,

gerust en kalm vertrokken de eedle Gentenaren.

Helaas, waar is der Oudren fierhied nu gevaren!