Test
Download document

BEETS, Nicolaas


De moerbeitoppen ruisten

De moerbeitoppen ruisten;
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en onstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.


De Eoolse harp


De Eoolse harp ruist in de nacht,

Ruist op de toon der treurgezangen;

Aandoenlijk als de weke klacht

Van 't hartje, dat van liefde smacht,

Of breekt van onvervuld verlangen.


Die doorslaapt, waar die citer slaat,

Sliep zeker in met zoete dromen;

Die slaaploos aan het venster staat

Wendt naar de kant het bleek gelaat,

Vanwaar de galmen overkomen.


De nachtwind weet niet wat hij doet,

Die al haar snaren dwingt te trillen,

- Zo min als 't oog dat, door zijn gloed,

Ontroering in een rein gemoed

Verwekt, maar niet vermag te stillen.


Maria

U mint mijn oog, zacht vijftienjarig kind!

Schoon roosje, dat zich uit de zwachtels windt,

Wiens lieve blaân geen wrede zon deed bleken,

Wien dwaze trots het hoofd niet op doet steken!

O gij zijt schoon en tevens smetteloos!

De blos, die zich uw kaak ten zetel koos,

Is 't vuur nog niet des hartstochts op uw konen,

Is nog niet die des argwaans, die verschijnt

Zoras de zoete onwetendheid verdwijnt

Der ondeugd, die haar net spreidt om de schonen;

Is nog niet die der zelfmin, die ontgloeit,

Zoras de gaaf der schoonheid harten boeit

En martelt, en de zegewachtende ogen

Op elks gelaat bewondring lezen mogen!

En zo uw mond zich tot een glimlach plooit,

Die lach is kalm, oprecht, en zacht, en nooit

Bedrieglijk nog of vals voor die vertrouwen

Dat zulk een lach iets goeds belooft van vrouwen.

…..