Test
Download document















STREUVELS, Stijn



De oogst

.....
– Cordule, is Wies er weer? En waar is mijn jongen? Rik!

Wies voelde een schok door zijn lichaam denderen; Moeder Busschaert komt voor haar zoon! wist hij en meteen drong het pijnlijke van wat komen ging tot hem door. Hij liet Lida huilend achter en vluchtte achter het huis over het veld weg. Hij moest weg van hier en van al die ellende, hij wou de boodschapper niet zijn van Fiene Busschaerts ongeluk, en hij zette het op een lopen om het jammeren en het huilen niet te hoeven horen.

Hij had zo intens verlangd om weer thuis te zijn, bij zijn moeder en alle mensen die hem kenden, en nu was wat hij zocht en verwachtte hier niet te vinden; – de velden lagen rondom in een dikke mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijn liefde en genegenheid daarginds in dat verre land gebleven waren. Hij had ginder over het kerkhof willen dwalen waar Rik lag te slapen en hij wou het liefst verborgen op de donkere hooizolder zitten wachten om Aga weer te zien.

Het weggaan naar dat verre land en dat harde werken daar, al dat ploeteren zag hij nu als doelloze flauwekul; het verrichten van dat zware werk was zonder zin gebeurd en verloren gegaan in de mist, – alleen het slechte bleef ervan over.

In zijn verbeelding zag hij het oude vrouwtje staan kermen om haar kind, wanhopig de armen wringend, gepijnigd door het wrede doodsbericht: haar Rik die nu zo ver hiervandaan, en zo jong nog, haar onverwachts voor altijd ontstolen was en daarginds ver weg begraven lag in het vreemde land, – waar ze nooit heen zou kunnen gaan.

De tranen van fel verdriet spatten Wies uit zijn ogen en hij dwaalde doelloos over smalle landweggetjes, eenzaam, ver van de mensen en gek van droefheid. De koelte friste zijn koortsige hoofd wat af, maar hij zag geen uitweg uit die wrede avond en hij vroeg zich af of hij ooit nog naar huis terug zou durven keren.

.....


Minnehandel

.....
Max stond dat te bezien en hij peinsde op die andere keer als hij met Klara in 't zelfde stalletje stond, maar hij schafte niet op de kalfjes; een scherpe zonneschicht beet door de open reet van het donkere pannendak en straalde op Elsjes ronde arm die nat was van witte room en aaide de donzigheid van haar wang. Er liep een krijzeling door Max zijn bloed en hij moest de lust verduwen: hij wilde de malsheid van die arm en die wang gevoelen, erin bijten, heel het meisje in de armen grijpen en het krachtig omhelzen, maar hij weerstond de bekoring en bleef half verlegen, zonder spreken bij het achteloze meisje.

- Poetjes, poetjes! wel zijn ze niet schoon mijn kalfjes? en 't meisje schaterlachte hem vrank in 't wezen.

En als hij weer wilde weten wat ze te zeggen had.

- Waar zijt ge zondag geweest? vroeg ze en ze ontvluchtte lachend zijn grijpende hand.

- O, gij stoutoog! wat weet ge?

- Nu niet, nu niet! plaagde ze hem, maar 'k moet u iets zeggen. Kom, we gaan naar de bloemen zien! Wilt ge bessen trekken? -

Hij volgde haar gewillig. Ze liep over de parkjes met dagsterren, savelde tussen de hoge rozenstruiken, schribbelde haar armen en blote beenen en kwam weer op het gras om een doorn uit de voet halen. Dan liep ze achter een witte vlinder die speelwiekte boven de bloemen, ze trok een pioen, een zonnebloem en wierp ze weer weg in speelse grilligheid.

- Klara is niet thuis, ze is op 't veld, anders mag ik hier niet binnen, loech ze naar Max. - Wilt ge bessen? en ze stond nu tot aan de oksels in de tronken en hield een rode krab aan de uitgestoken arm en liet ze in de open mond vallen.

.....


De teloorgang van de Waterhoek

.....
En zo gebeurde 't dat hij haar zekere keer liggen vond, achterover uitgestrekt op de sleepte berm, de blote voeten badend in de vijver. Zij lag er als een bos- of waternimf; zonder woord of wenk, met de lokkende blik en 't lachend wit der tanden alleen, had zij hem genood bij haar te komen - alsof het zo afgesproken was en zij hem sedert lang opwachtte. Samen hadden zij onmiddellijk hun minnespel hernomen. Veilig door 't beschot van de dikke voorhang der groene bladeren, in de tover van de ruisende wind, met 't uitzicht op 't blauw-en-groen van 't zwijgend water waarop het zonnegoud schitterde, had hij zich overgegeven aan de roes van zinnelijke hartstocht - en ál 't bestaande vergeten, heel duidelijk de begeerte gevoeld hier op de stond te sterven, dat was: te versmelten, op te gaan in de aaierd van wellust die als goudpulver heel het uitspansel doormierelde. Het winderig weer, 't geweldig geruis in de populieren - zette zijn drift nog aan, maakte hem opstandig, vermetel. Een koor van stemmen zong met hem mee het lied der liefde; in het bewegen van twijgen en takken schenen de bomen elkaar te omstrengelen, te strelen, - de wind blies een sterke adem van bronst over de wereld, bezwangerd met de geur van vochtige aarde en rijp koorn; heel de natuur spreidde een wasem van jeugd, een zomertooi voor 't feest van de wellust waarop zij genodigd waren om mee te vieren.

.....


Langs de wegen

.....
Zes vrouwen droegen het lijk en de volgelingen van de stoet waren: Jan, de jongens en enige buren. Hij zag het wagen van de draagsters in haar zwarte mantels en de kist in 't midden. Ommelands bleef het al groeiende blijheid en jong en geurende aarde met een nuchter zonneke over 't land van de groenende lente. De vogels schreeuwden leute uit en de landenaars hielden een stonde de arbeid in, ontdekten 't hoofd en wrochten weer voort. De stoet ging over de aarderede. Dat was nu op ende op hetzelfde met al de bijbehoorten onder dezelfde wijde lucht zoals hij over tijd die wekedagse ochtend onverschillig en flauw aangedaan stond te kijken hoe ze Vina's moeder over d'aarde, in dunne stoet, naar de kerk droegen. Nu zag hij scherper nog wat er wijds en zijds al gebeurde; hij overlegde de groei van de vruchten waar hij voorbij ging, bekeek de bomen en de mensen hoe ze gekleed waren. Tezelfdertijd wist hij dat 't beeld van al die dingen hem heel zijn leven bijblijven zou als een bezetenheid die vast zou groeien aan Vina's dood en begrafenis. Op Leenders koeiplekje, links, eer ze de grote aardestraat op gingen, stonden de twee oude knechten aan de aalpomp. Hun handen hielden de trekker en gezamenlijk bogen hun oude lijven en haalden de gekrookten pomparm op en neêr en de ijzeren elleboog hoekte toe en open en 't bruine aalsop stroelde uit de wijde pompenmond door een kous in de trechter van 't aalstuk. De grote os stond ingespannen aan 't karteel te wachten en hij bekeek aandachtig met grote ogen de voorbijgaande lijkstoet.

In 't dorp kwamen de mensen aan hun deur

…..
Jan rook hun warme adem en raadde de broodronken zottigheid; met de slag was de verwachting en de blijdschap van ‘t weerzien in hem vermoord en teniet; hij wist, hij voelde: ‘t waren zijn jongens, de eigene jongens die hij gekweekt had en nu stond hij, in zijn onbeholpene, machteloze ellende, zonder verweer tegen hen. Ze plaagden zijn ezel die buiten stond en ineens zag hij klaar door de verbijstering waar hij al de jaren in dompelde: de weemoed van de ontgoocheling, 't kapotvallen van 't geen hij zo vast verwacht had: 't lag al vernield en hij stond alleen in weerloze razernij.

…..


Lenteleven
…..
… als er op de vaute gerucht ging en de deur zachtjes piepte. Horieneke stond plots temidden de vloer in haar hemdeke, en eer vader en moeder van hun verwondering bekomen waren zat het kind op de knieën en vroeg:

- Vergiffenis, vader en moeder, voor al 't geen ik u van 's leven misdaan heb. en 'k beloof nu altijd braaf en gehoorzaam te zijn...

Moeder was eerst gloeiend kwaad geworden en dan, bij 't zien van die knieval en met dat smekend stemmeke, was 't gevallen en zij wilde wenen. Vader en hield van al dat maakwerk niet.

- Alla toe, schijtjong, rap naar bed! - Wat vergiffenis, en waarom! - Prullen, prullen! 't Kind bleef zitten wenen.

- Vader als 't u belieft, 't is morgen eerste communie en we moeten eerst vergiffenis hebben.... de zuster uit de school heeft het gezeid....

- De zusters in school zijn zot! en zullen u ook zot maken! naar bed nu, hoor!

Moeder kon 't niet meer uithouden, zij snikte luid, nam Horieneke onder de oksels en hief het tegen haar borst. Zij was lijk de keel toegenepen en 't was met moeite dat 't er uit kon:

- 't Is u allemaal vergeven, mijn keppe, God zegene en beware u; en gauw nu naar bed, 't is morgen vroeg op te staan.

Horieneke lei haren arm over moeders schouders en vezelde zachtjes in haar oor:

- 'k Moet nog iets vragen, moeder -: de ouders van al de jongens gaan morgen ook ter berechting.... moeder zult gij?....

- Stel uw hertje gerust kind, 't zal allemaal wel zijn.

…..


De vlaschaard

…..
Ja, 't zaad lag erin en van nu voort hing er een vreemde macht over dat schone stuk land; de boer had er niets meer aan te doen: het vriendelijke of 't vijandige element zou er over meesteren en naarmate het meeviel zou er hier eer zes weken ver, een schone vrucht bedijgen, een zee van 't fijnste groen met rijk beschot voor de boer. Ten ware 't kwaad of de plaag erop viel en de verwoesting kwam uitmeesteren.

Vermeulen wilde nu zijn onmacht bekennen en aan wederenden van de vlaschaard sloeg hij met de rug van zijn spade, een kruis in de rullige eerde om door dat teken er het kwaad, het wanweer en de vogels af te manen. En dan, alsof 't hem ineens heel onverschillig was en áfgedaan, keerde hij er de rug naartoe en gaf hij onderweg zijn bevelen aan Jan en aan Ivo voor de volgende dag.

- Morgen kunt gij beginnen diepvoren op de tienhonderd. En gij beginnen op het betenveld. 't Werk was hier afgespeeld - de vlaschaard kon nu groeien - maar daarom viel er niet te treuzelen. Op een hoeve met zulk een gebruik en zulk een gespan volks, moest er iets geordend worden en Vermeulen droeg heel die bereddering van het hof met heel zijn aanbehoren en schikkingen van werk alleen in zijn grote kop. Als heerder en opperste voorzienigheid in heel die menigvuldige verscheidenheid van opbrengst en verteer beging hij zijn werking verder naar de wetten die hij zelve kende en waar niemand bevatting of begrip in had. 't Volk wachtte zijn bevelen als een opperste uitspraak en met gedwee te doen 't geen hun eenstondig bevolen werd, wisten ze dat het ingewikkelde leven zijn schone loop bleef houden en alles ordelijk in elkaar paste.

Zonder rusten of verpozen werden de dagen alzo verdaan en stond elk uur met werk bezet en eigen bezigheid beschikt.

Louis reed op de ledige kar naar 't hof en stond er wijdbeens te schuifelen gelijk hij er te morgen gekomen was. Ivo en Jan met de vijf peerden nevenseen, de straten vol, gingen ze samen afgeakkerd en moe door de avond. Van ver, uit een andere richting, zagen zij de koeiboever die met een volle kar schietloof over 't land naar huis reed. Het bloeiende geel in zijn gehavige versheid, die ophopende kar vol, vlekte als een bundel feestelijkheid over het derve avondland. Het blonk als een vlam en 't was of sleepte er een klaarte door de lucht in 't speur van de kar waar die grote bussel heetgele bloemen voorbij was. De paarden heiden naar malkaar en hun stem klonk als een scherpe lach over het veld. Louis zag die dingen en voelde een stille vreugde in die avond, een wondere genoeglijkheid vulde heel zijn wezen in het einde van die glorierijke dag.

…..
Maar dan kwam zijn taaie levenskracht weer in opstand; 't bonsde, 't schokte – hij wilde leven, hij wilde dat alles was zoals vroeger.. hij wilde niet oud zijn, hij wilde niet sterven, hij wilde leven! leven! Want 't leven zag hij overal en wist het rond zich en hoe 't voort zou aanhouden eens als hij begeven had; hoe alles voort zou groeien en roeren en wentelen door de gang der dagen. Hij wilde zijn velden, zijn beesten, zijn land en vruchten, hij wilde boer zijn! - hij wilde leven zolang er leven was op de wereld! Hij knarsetandde van woede om zijn onmacht, omdat hij de onverroerbare dingen niet keren kon. En als hij uitgewoed was, overviel hem weer de wanhoop en een grote triestigheid zonder einde, waarin hij versmoren moest. De oude boer, de taaie kamper stond daar als een onnozel kind en hij keek eenieder in de ogen, smekend waar of wie hem wat rust zou geven en troost om kalm en gelaten zijn opperste uitgang af te wachten.
…..


De kalfkoe

…..
De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands de zwartigheid overal op en heerste de oneindige nacht en de dood. De landlieden en verkenden hun wegen niet meer, bleven nu diepe in hun huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef of er bij de verre buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar de lemen wanden en doken achter dichtgesloten deuren en vensters, het schrale pinkje licht en 't warmend koolke vuur. De vijzelende koude wilde overal binnen en de grote nacht gaf geen hope van uitkomst of nakende helderheid; de zonne was nu dood, voor goed.

…..


Leven en dood in den ast

…..
'k Wil had ik er bij geweest! denkt Fliepo, die zucht van genot, maar zwijgt. Gelijk hij van God geschapen is - te lelijk om te helpen donderen - had nooit een vrouwmens hem willen benaderen, daarom zag hij zich gedwongen geneugte te zoeken in drank, zijn lusten te voldoen in donkere kabberdoeskes, maar nog veel meer met zijne gedachten, want over die dingen te horen spreken is hem ook al een geluk)

... Aan de voorstad was 't afgelopen: de armen losten en we gingen uiteen, want er kwam volk op de baan en de mensen mochten ons niet samen-zien, ten ander, die meisjes moesten hun vrijer gaan vinden en wij ons lief. Geen van ons gedrieën hadden we er haast bij - de mijne stond mij toen niet al te wel aan. Maar die Fiertel? Onderweg hadden we zo weinig op ure en tijd geschaft en ons overal beziggehouden, dat 't wel vijf ure namiddag geworden was. We ontmoetten daar een knaap en Wipper vroeg hem: ‘Ventje, hoe is dat hier nu eigenlijk met die Fiertel?’ - ‘Hij ligt al lang op z'n streu’, zei de jongen, die meende met spotters te doen te hebben. Zo, we gingen dan maar het lief opzoeken, of liever: we slenterden wat rond op goed geluk. Eerlang liepen wij haar toch in de bek, met heel 't gezelschap: een zuster met heur man, zijn broer en enige kinders. Op de slag kreeg ik 't in de gaten dat ze niet welgezind was (haar neusvleugels trilden, en dat gaf teken uit van onweer). - Zij was een kwade bette, braaf genoeg, maar niet om haar op de tenen te laten stampen. Ik befon maar wat te lamoezen en de zoetelaar te scheren, hield staan dat ik haar overal gezocht had. - ‘g'En doet, we zijn u gaan afhalen aan de trein en ge waart er niet’, ging het kortaf. Daarop een lange leugenhistorie: hoe we de trein gemist hadden en te voet gekomen al ons haastend om op tijds te zijn; maar ze bleef ongelovig. Op 't eind gerocht er vrede getekend en we spraken van ander dingen. We moesten alle drie mee naar heur zusters waar ons koffie met krentenboterhammen voorgezet werd. 't Liep er goed af, tot we op weg naar de statie, weerom ruzie kregen - ze haalde het nog eens aan, daar ze wantrouwig was - en met reden! - ‘Ge laat mij hier heel dien achternoen alleen, en mijn schoonbroer kan ik van mijn rok niet keren.’ Dat was klagen en verwijten meteen, maar het bracht mij op de inval en 'k vond er zelf een reden in om 't heur kwalijk te nemen. Ik zocht eigenlijk al lang naar een uitvlucht om ruzie te maken en er van af te zijn, want dat lief hing mij de botten uit, omdat ze zo jaloers was. Nu greep ik de gelegenheid vast: deed alsof ik te klagen had over heur gedrag, en zei: ‘'k Kon u waarachtig wel eer gemoet hebben, maar meent ge dat ik het niet gezien heb? Kon ik bij u komen als ge met die vent ronddweilt lijk met een vrijer?’ Ze vatte wel dat 't er met de haren was bijgesleurd, maar al pratend wond ik mezelf op, meende 't achterna, en hield vol, zodat ik haar alleen met den trein liet vertrekken, en met Polfliet en Wipper achterbleef, die 't nu ook opgaven om nog hun lief te gaan vinden. Voor mij was 't een keten van mijn been; met de vrijheid voelde ik de lust om mijn duivels los te laten.

…..