NAESSENS, Mark


Laatste gedachten


Dacht hij aan ons toen hij met dat touw
de trap opging, of dat de tweede trede

zo kraakte en ook de dakgoot dringend

hersteld moest worden? Wat dacht hij?


Toch niet dat een engel hem tegen zou houden,

een onzichtbare hand op zijn schouder, een stem:

kom, laat die stoel staan, er is nog genoeg

aarde voor je verdriet? Wat dacht hij?


Wat dacht hij in die ene seconde, als een vis

naar adem happend in de kortstondige lucht?

Aan het licht dat nog brandde of dat er een

dakpan ontbrak in de opengesperde hemel?


Toch niet aan ons en hoe zijn kille handen

ons sloegen, zijn stem sneed als een mes en

zijn ogen: twee gapende wonden. Toch niet dat

wij zouden schreien, zelfs niet één seconde?



Gedachtenis


Ze zeggen zoveel. Dat het went.

Dat de tijd een helende mantel is.

Zoveel dat het overgaat als griep,

vervaagt in het stof van de dagen.


Maar het blijft hangen als mist op

mijn haar. Ik overwinter in verdriet

om hoe het was, had kunnen zijn.

Jij bloeit liever dan ooit voordien,


met nog zachtere kleuren van leven,

hoewel ze zeggen dat het niet mag.

Ze zeggen zoveel. Of liever nog niets.

En dat went nooit.



Genesis 1


Eerst vond hij de tijd uit die nooit had bestaan,

nam dan iets van het niets tussen de vingers,

blies. Uit zijn adem ontglipte de chaos.

Hij schrok. Een onmacht die eeuwig zou duren.


Want de tijd die hij schiep was al verstreken.

Uit de chaos koos hij hemel en aarde

als decor voor wat hij nog aanrichten wou.

Hij lachte. Een grijns die nog niet is geweken.


Want hij wist al wat hierna moest gebeuren:

dat zijn schepping zichzelf zou verslinden,

langzaam van de zesde dag af. Toch blies hij

de mens op die aarde en zei: je bent vrij.




Met twee messen


Terwijl de pijn zich optrekt aan de rand van de tafel,

als ongevraagde gast toetast, eet met twee messen,

terwijl zacht gezegde waarheid verzuurt in de glazen,

tracht ik te wennen aan de vochtige geur van herfst,


aan de kleur van verwelkte viooltjes, aan opgeschrikte

foto's die licht golvend in regenplassen voorbijdrijven:

jij met die hond waarom je zo huilde omdat hij zo dood

was en jij met die man met die ogen zo dood als een


doorweekte foto maar zijn kan. Daaraan tracht ik

te wennen als een hond aan de rand van de tafel

toekijkend hoe je het uitgelekte weten ongevraagd

aansnijdt met twee messen en zacht golvend snikt.