DE PRETER, Gerda



Latento


Nu wij stilaan voor elkaar vervagen,
zinkend in de armen van de tijd,
rest ons slechts wat schamel praten
op de tak van tederheid.

Niets van dit alles wil ik nog bewaren:
het zacht gestamel van je bloed,
het waanzinnig lichte ademhalen

van de vogels in je schoot, je handen
als gebroken eierschalen, trillend
in de broedplaats van de dood.

De veerman kijkt en wacht.
Hij heeft het touw reeds losgelaten.
Onwennig is het lopen langs de paden
op de hoefslag van de nacht.



//////////////////////////////////////////////////////


We zaten samen in de tuin, de wind

ging liggen in het gras. Krekels sliepen,

bomen zwegen. Niets bewoog

de tijd had het begeven. Ziek van geluk

keek je me aan. Je ogen zeiden dit

komt nooit meer goed, laat daar geen twijfel

over bestaan. Ik herinner me

dat ik dacht ik moet

weggaan, nu, zonder om te kijken,

maar dat heb ik niet gedaan, ik bleef

maar ademen

ademen

tegen je ongeneeslijke lichaam aan.

Later, veel later, kwam de regen.