ASSCHER, Maarten



Naar bed


Innig, namens alle slapers,

ligt haar kinderlijk gewicht

in de waagschaal van mijn armen.


Haar lichaam rust ondraaglijk licht

op de bodem van de slaap.

Vanaf de kant tuur ik omlaag.


Geen geest geeft haar adem.

Iets dierlijks heeft zij, anorganisch:

blindelings volmaakt.

Onaangeraakt.


Haar slaap vervult mijn dragen met

ontzag dat even onbeweeglijk maakt.

Zo rijk is haar overgave,

zo twijfelloos haar verzinken

in onbeschaamde kwetsbaarheid.