DE WINTER, Theun
Herschapen eiland*
De boot stroomt leeg, komt grommend
Klaar. Een vloed van zwaar metaal en olie,
Vlees en bloed baant zich een weg, zonder
Pardon, over het eiland van mijn jeugd
Het vaatstelsel van wat eens schelpenpad
Was, dorpsstraat, strandslag, karrespoor
Slibt dicht, wordt omgeleid, verhard, verbreed
Tot het landschap in het asfalt stikt
Als een boze branding dreunt overal
Het snelverkeer. Geen duin, laat staan
Een tuunwal, zal 't rampzalig wassend
Water van de welvaart kunnen keren
Het vogeleiland zinkt en zingt verstild
Zijn zwanezang. Steeds talrijker weerklinken
Ieder najaar de genadeschoten. Gewetensvol uiten
De jagers via de trekker hun betrokkenheid
De omzet stijgt. Het laatste springtij is
In aantocht. De maan houdt ons een
Spiegel voor – wie durft zijn schijngestalte
Als hebzuchtig te ontmaskeren?
Ik, drenkeling in geestesnood, vlucht
Voor de boot naar 't hoogste punt. Nabij
De Weezenplaats val ik onder een groene
Bladerkoepel op de Hooge Berg terneer
Midden in de mensenzee word ik mijn tot
Mij zelf herschapen eiland. Geruggesteund
Door keileem uit de ijstijd blijf ik
Boven - zichtbaar slechts kop en romp
Mijn voorhoofd fronsend vorm ik moeiteloos
De Eierlandsche Duinen en leg een oor
Te luisteren op de Schorren, die galmen van 't
Massaal maar zeer beschaafd rotgansgekeuvel
De Krim, nieuwbouwwijk in de natuur dankzij
Kortzichtige projectontwikkeling, verduistert
Oogverblindend wit mijn blik. Ik slaak
Een zucht die uitmondt in de Slufter
Wiens zoute gronden mijn neuskeelholte
Bekleden. Gefilterd door lamsoor en
Engels gras blaast daar uit zee
De westenwind mijn longen binnen
Waar klopt mijn geografisch hart? Het moet
Haast wel bij hoeve Ora et Labora zijn, vredig
In de avondschemer. De zoete warmte van
De koestal benevelde mij steeds weer bij het
Binnenkomen, samen met mijn vader en de hond
Allebei gezond nog. Voortijdig voelde ik toen
Deze weemoed al, terwijl we rustig keken naar
Het vullen van ons blauw geëmailleerde busje
Grondeloos diep, dat wist hij, mijn vader,
Uit zijn jongensjaren omtrent het Weegesweel
In de oksel van het polderdijkje zet
De kolk zijn rietkraag op en wacht gelaten
Tot de vorst zijn rimpels glad komt
Strijken. Geen wonder dat mijn nogal zwaar
Beproefde lever zich ongeveer daar, vol vlijt
Drainerend, vochtig ingebed bevindt
Mijn navel valt samen met onderdrukt
Den Burg, waar ik als pril Verzetsheld
In de kinderwagen lag en moedig voortgeduwd
Werd door mijn liefderijke moeder
Herhaaldelijk misleidden wij de vijand,
Want onder mijn matras hield ik tersluiks
Verborgen drie, vier katoenen kilozakjes
Illegaal tot meel vermalen tarwe
De Bevrijding kwam, maar heeft de vreemde
Overheersers niet verdreven. Gloort er nog
Hoop? Vanuit de windstreek noord-noordoost
Tuur ik omlaag mijn buik langs, die allengs
Verdwijnt in de vage einder. Zeedamp hangt
Op de Mokbaai en aldaar beslaat de horizon
Toch, zie – een vingerwijzing in de mist verheft zich
Traag en ik herken Het Licht van Troost
* Texel