VAN MERKEN, Lucretia Wilhelmina



Het nut der tegenspoeden

…..
Ik zing, door leed geleerd, het nut der tegenspoeden,
Die op de zwakke mens in het rusteloze leven woeden;
Het lichaam en de ziel bestrijden, maar metéén
Die beide beschermen voor al de aantrekkelijkheên
Van de loze wereld, die steeds uit is op verleiden.
O lotgenoten, van uw liefste wens gescheiden!
Ik draag u deze zang op tot stilling van uw pijn:
Leer, met mij, in de ramp niet ongelukkig zijn:
U zag u, van de wieg tot op dit akelig heden,
Door storm op storm geschokt, door ramp op ramp bestreden,
En mogelijk verbergt uw afgefolterd hart
Voor ieders nieuwsgierig oog nog de allerwreedste smart.
Zijn het stormen van het toeval die u dus hevig treffen,
En telkens neerslaan als u zich op wilt heffen?
Nee: kijk wie het lijden zendt en, hoewel door rouw overmand,
Herken de tekens van Gods liefderijke hand.

…..


Nachtgepeinzen.


De vale schaduw spreidt haar vlerken,

En houdt op onze aardbol wacht,

Op ’t nad’ren van de stille Nacht;

Die, eer wij zijnen invloed merken,

De zorg en 't hartewee verzacht.


Terwijl de bleke schemeringen

Verschijnsels vormen in het woud,

Waar 't windje met de golfjes trouwt

De trage beekjes fluist’rend zingen,

En stille Rust haar zetel bouwt;


Luikt Slaapzucht met fluwelen handen

Elks ogen, van het licht vermoeid,

En streelt de moede leên, en boeit

Elk op de koetse aan zachte banden,

Terwijl de kracht door ’t sluim’ren groeit.


De zon, beneên de kim gezonken,

Maakt plaats voor 't flauwe licht der maan,

En duizend duizend brede paên

Voor heldertintelende vonken,

Die al de kreits der lucht, beslaan.


Het pluimgedierte staakt zijn zingen,

Het vee herkauwt geen voedzaam gras,

Het visje sluimert in de plas,

En weeft geen kringen meer bij kringen

Al dansende op het vloeiend glas.


De Landman, moede van zijn slaven,

Vlijt de afgematte leden neer;

De nijv’re burger draaft niet meer;

De rijkdom ligt in slaap begraven,

En dienstbaarheid erkent geen heer.


't Rust alles wat zich roert in vrede,

Als had men nooit van twist gehoord,

De krijgsklaroen blaast brand noch moord;

Zelfs 't bloedig zwaard slaapt in de schede:

Och! wierd zijn sluim’ring nooit gestoord!


Ons huis, bestormd door tegenspoeden,

Dat zuchtend 's Hemels roede kust,

Ziet ook zijn smart in slaap gesust;

De Rampen laten af van woeden,

Op 't lief gezicht der stille Rust.


Slechts ik, door deernis aangedreven,

Ik waak, en tors mijn drukkend kruis,

En wens dat geen gevreesd gedruis

De rust stoor die Gods gunst wil geven

Aan ons zo fel bestreden huis.


Och! schiep, na zo veel bange dagen

En lange nachten vol verdriet,

De Algoedheid, die ons lijden ziet,

Eens in ons taai geduld behagen!

Och! drukte ons zo veel onheils niet!


Dan waar' mijn hart de rust beschoren,

Die 't nu, helaas! in schijn vertoont;

Dan wierd ons huis met heil bekroond:

Dan zou men lofgezangen horen

In tenten waar de Droefheid woont.


ô Nacht! wat zaagt gij, uit mijn sponden

Al tranen, zuchten en geklag,

Met zorg gesmoord bij held’re dag,

In stilte naar omhoog gezonden,

Als mij geen sterfl’ijk wezen zag!


Getuige mijner stille smarte,

Wat heb ik, in uwe eenzaamheid,

Mijn hart en ogen uitgeschreid!

Maar ook, hoe dikwerf wierd mijn harte,

In u, met rust en troost gevleid!


Wanneer 't barmhartig Alvermogen

Mijn zwak vertrouwen bijstand bood;

Mijn ziel deed hopen in de nood;

Of, door uw zachte hand, mijne ogen,

Vermoeid van 't wenen, gunstig sloot.


Laat dan mijn lier u welkom zingen,

ô Nacht! door wie de rouw bedaart;

Verkwikker van de vaak’rige aard',

Vertrooster aller stervelingen,

Met smarte of ongeluk bezwaard.


Al blijft voor mijn gezicht verborgen,

Of in dit aak’lig tranendal,

Of in dees nacht, vol ongeval,

Het licht van enen blijden morgen

Mijn droeve ziel bestralen zal:


Mijn geest, bezadigd neergezeten,

Wil echter thans, ô stille Nacht!

Die 't onheil van ons huis verzacht,

Een ogenblik het leed vergeten

Dat mij de naaste morgen wacht.


ô Gij, die nachten vormde en dagen,

Volmaakte Goedertierenheid,

Tot wie mijn hart om bijstand schreit!

Leer mij het kruis gelaten dragen,

Dat mij tot eeuwig heil bereidt.



Bewerking: Z. DE MEESTER