HAERENS, Astrid
5.
wanneer we niet meer kunnen
gaan we slapen
raken je ogen bijna de mijne
onze kassen vormen een ronde holte
buiten bewegen traag de laatste aangekoekte vleugels
een vrieswind blaast tussen de spleten van de hut
je borsten zakken tegen mijn borsten aan
je handen houden op waar mijn ruggengraat zich kromt
je ademt en de bal
vult zich met water
vloeibaar word je
enkel nog
oogvocht, adem, zout