MERTENS, Mahlu



Een permanente staat van tijdelijkheid

Het bed in de kamer ontbreekt, al weg
of hier nooit geweest. Op de muur een wereldkaart
van vochtvlekken, grenzen onzichtbaar.

Het matras op de grond is een eiland,
zij een aangespoelde drenkeling.
Dwars door de kamer doorsnijdt de waslijn
’s nachts haar dromen. Niets is hier om te blijven:

In een pot zonder augurken staat een boeket
met snelwegbermbloemen. Vier verschillende stoelen
vergaderen tijdelijk rond de eettafel. Haar moedertaal

hoort hier niet, ze houdt de woorden in haar binnenzak.
Tussen deze geleende muren leeft ze in het klad.