VANDER VEKEN, Ingrid



zwijgen

…..
Mannen, oud en jong, met bolhoed of blootshoofds, in hemdsmouwen of overjas. Zij die zich vrijwillig hadden aangemeld zoals je vader, niet wetend wat hun te wachten stond. Zij die uit hun huis waren gehaald of van de straat geplukt. Zonder onderscheid opgesloten in de lege kooien van de dierentuin.

Ze zitten op de met stro bedekte bodem of staan boven op de gewelfde toegang tot de kooi. Veilig achter dikke tralies, zoals voor hen de beesten die bij het uitbreken van de oorlog waren afgemaakt, uit vrees dat ze bij bombardementen zouden ontsnappen. En even verwezen als die roofdieren voorheen, staren zij naar wie hen aanstaart. Zij zijn de nieuwe beesten, de minst betrouwbare, de meest gevaarlijke.

…..
Een jonge vrouw met een ransel, vernedering en woede trotserend om haar verloofde te zien, hem wat brood en een appel toe te stoppen. Beschouwde ze het als haar plicht dit te doen? Zette de brutaliteit van de omstanders haar ertoe aan het des te overtuigder voor hem op te nemen? Of schaamde ze zich, en hoeveel moeite had het haar dan gekost om die schaamte te overwinnen?

…..