VAN HECKE, Daniël



Antropoïde


Als de kern niet verder splijt,

als de cellen aan amok verzaken,

als elk hart eensluidend schakelt

en het circuit finaal regenereert,


dan barst de spookstad

uit haar voegen, dan

gloeit achter alle ramen

de glimworm van de paranoia,


dan breken je ogen nooit,

dan vraag je eeuwig

rekenschap voor elk verraad,

voor elke dode mus of luis,


dan moet ik tot in den treure

uit je handen eten en op

je lippen juichen dat het

nooit meer overgaat,


dan muteer ik liever tot

het oude beeld uit klei,

tot vader vogelschrik,

gesel der antropoïden.


Schuld


Uit de voegen van

de klaagmuur

sijpelt bloed

in de handpalmen

van de gelovers.


God heeft lak

aan zijn kudde:

zijn Woord maalt

niet om Verlossing.


De pooier die

Macht heet

naait zijn hoer

met de blik op Mekka

of Wall Street.


Intussen verpulvert

de laatste woestijnroos.



Afrika, een vrouw


De mangovrucht verschrompelt

tot pit en palmwijn

verzuurt in de stam:

ik wil je liefste niet zijn.


Bied me geen armband aan,

geen sieraad als boei om

mijn pols, geen cel onder

het palmdak van je hut.


Het vuur verteert wat rest

van wouden en dromen en

de savanne sterft als door

het kwade oog behekst.


Ik ben Abo, de vrouw de velen

zag sterven onder de kogels,

de vrouw die het lied van de dood

zong in de tropische nacht.


Treur niet om mij en mijn gelijken,

want als vuur knettert onze woede

en als een omarming van de slang

verstikt ze haar prooi.